Berichten Reclamerecht

RB 694

Disney + ING = spelender wijzer met geld

Disney werkt samen met ING om de jongste generatie financiële educatie te geven. Door het spelen van het online spel op www.disney.nl/advertising/ing/dlrpcompetition/ wordt de doelgroep geprikkeld vragen goed te beantwoorden om zo een verzorgd verblijf in Disneyland Parijs te winnen.

De actievoorwaarde helaas niet downloadbaar vanaf de site beschikbaar, heeft de redactie op 4 maart 2011 overgenomen. Klik voor de voorwaarden hier (png).

RB 693

Cosmetica verkoop; verticale afspraak

Conclusie AG J. Mazák 3 maart 2011, Zaak C-439/09 (Pierre Fabre Dermo-Cosmétique SAS v. Président de l’Autorité de la Concurrence en Ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi).

Artikel 81, lid 1, EG-verdrag (thans: 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) – Mededinging – Selectieve distributie – Algemeen en absoluut verbod op verkoop van cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten aan eindgebruikers via internet – Mededingingsbeperkende strekking – Verordening (EG) nr. 2790/1999 – Artikel 4, sub c – Beperking van de actieve en passieve verkoop – Hardekernbeperking – Individuele vrijstelling – Artikel 81, lid 3, EG (thans: 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). 

 

In het besluit werd vastgesteld dat PFDC artikel L.420-1 van de Code de commerce (wetboek van handelsrecht) en artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) had overtreden door aan de door haar geselecteerde (erkende) distributeurs in haar selectieve distributieovereenkomsten een algemeen en absoluut verbod op te leggen op de verkoop van cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten aan eindgebruikers via internet. De Conseil was van oordeel dat het verbod op verkoop via internet voortvloeide uit het vereiste in de distributieovereenkomsten van PFDC dat de betrokken producten moesten worden verkocht in een fysieke ruimte in aanwezigheid van een gediplomeerde apotheker.

De vragen:Ten eerste: strekt een algemeen en absoluut verbod voor erkende distributeurs om de contractgoederen via internet te verkopen aan de eindgebruikers, opgelegd in het kader van een selectief distributienetwerk, ertoe de mededinging te beperken in de zin van artikel 81, lid 1, EG? Ten tweede: kan een zodanige beperking het voordeel genieten van de in verordening nr. 2790/1999 voorziene groepsvrijstelling? Ten derde: indien de onderhavige beperking niet in aanmerking komt voor de groepsvrijstelling, kan er dan een individuele vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG voor worden verleend? (...)

De conclusie: Gelet op het bovenstaande, geef ik (AG Mazák) het Hof in overweging de vragen van het Cour d’appel de Paris te beantwoorden als volgt:

1.      Een algemeen en absoluut verbod aan erkende distributeurs om goederen via internet te verkopen aan eindgebruikers, opgelegd in het kader van een selectief distributienetwerk, dat de parallelhandel aan strakkere banden legt dan de beperkingen die inherent zijn aan een willekeurige selectieve distributieovereenkomst en dat verder gaat dan objectief noodzakelijk is om die goederen te distribueren op een wijze die passend is in het licht van zowel hun materiële kenmerken als hun uitstraling of imago, strekt tot beperking van de mededinging in de zin van artikel 81, lid 1, EG.

2.      Een selectieve distributieovereenkomst die een algemeen en absoluut verbod op verkoop via internet omvat, kan niet profiteren van de groepsvrijstelling voorzien in verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, aangezien een dergelijk verbod functioneert als een beperking van de actieve en passieve verkoop bedoeld in artikel 4, sub c, van die verordening. De verkoop via internet van contractgoederen door een erkende wederverkoper houdt niet in dat hij vanuit een niet-erkende plaats van vestiging werkzaam is in de zin van artikel 4, sub c, van verordening nr. 2790/1999.

3.      Een selectieve distributie overeenkomst die een algemeen en absoluut verbod bevat op de verkoop via internet kan profiteren van een individuele vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG, mits is voldaan aan de vier in die bepaling neergelegde cumulatieve voorwaarden.

En alles wat er tussen zit: Lees of zoek de conclusie hier of hier (pdf-onder voorbereid van wijziging).
Het verzoek om een prejudiciële beslissing zie hier, of hier (pdf).

RB 692

Reclame voor boek over geneeswijzen

RCC 11 februari 2011, Dossiernr: 2010/00905 (Fibromyalgie)

Reclamerecht. herkenbaarheid reclame, misleidend omtrent voornaamste kenmerken van product. In weekblad de "Noorderkrant" verscheen advertentie met de titel "De oplossing voor Fibromyalgie". Het betrof reclame voor een boek waarin tips stonden die mogelijk de symptomen van dit syndroom verlichten. De opmaak (klik ook op het plaatje) lijkt doen denken dat het gaat om een redactioneel stuk. Reclame-uiting misleidend en oneerlijk?
  
Adverteerder doet beroep op het volgende:
* reclame is voor vrij verkrijgbaar boek
* citaten en samenvattingen hieruit worden gebruikt om interesse te wekken
* beroep wordt gedaan op het recht op vrije meningsuiting
* geen reclame voor geneeswijzen en niet wordt gesteld dat definitieve medische oplossing bestaat

En adverteerder betwist dat de titel suggereert dat er een volkomen medische oplossing bestaat. Uit de vervolgtekst blijk dit duidelijk en er is geen sprake van misleiding op grond van de titel. Het is klaagster ook als advertentie gebleken, ook de bestelbon maakt dit duidelijk.

Het oordeel van de Commissie
Er is sprake van reclame in de zin van de NRC. Verder moet worden beoordeeld of het als zodanig herkenbaar is (artikel 11 sub 1 NRC).

De Commissie is van oordeel dat het artikel, gelet op de opmaak ervan en de plaats in een weekblad, bij de eerste indruk van redactionele aard lijkt te zijn. Uit de inhoud van het artikel blijkt vervolgens onvoldoende dat sprake is van reclame. Naar het oordeel van de Commissie is nagelaten het publiek duidelijk te maken dat de publicatie niet gebaseerd is op zuiver redactionele overwegingen met betrekking tot een boek, maar dat deze in feite een aanprijzing inhoudt van dit boek. Derhalve is in strijd gehandeld met voornoemd artikel. Dat wordt verwezen naar een bon waarmee men het boek kan bestellen en dat het telefoonnummer wordt genoemd waarmee men het boek kan bestellen, neemt de genoemde onduidelijkheid op dit punt naar het oordeel van de Commissie onvoldoende weg.
 
De titel van de uiting luidt: “De oplossing voor Fibromyalgie!”. In de tekst wordt – kort gezegd – meegedeeld dat in het boek wordt verteld hoe men verlichting kan vinden voor de symptomen van dit syndroom en dat informatie wordt gegeven over de beste behandelmethodes en over ‘gloednieuwe natuurlijke, alternatieve en medische oplossingen’ die onmiddellijk verlichting brengen. Aldus wordt in de reclame-uiting gesuggereerd dat het boek een oplossing biedt voor Fibromyalgie, althans voor de symptomen die dit syndroom met zich meebrengt. Er zijn echter geen nadere stukken overgelegd waarmee deze claim wordt bewezen. Niet gesteld of gebleken is dat bijvoorbeeld sprake is geweest van een onderzoek waarbij de effec­ti­vi­teit van de in het boek beschreven methoden zijn onderzocht. Derhalve is niet komen vast te staan dat de in de uiting genoemde methoden uit het boek de geclaimde werking hebben.
 
Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat de uiting gepaard gaat met onjuiste informatie over de voornaamste kenmerken van het product als bedoeld onder b van arti­kel 8.2 NRC, met name ten aanzien van de voordelen van het product. Voorts is de Commissie van oordeel dat de gemiddelde con­sument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Om die reden zijn de bewuste mededelingen misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Lees de uitspraak hier en hier(pdf)
De gewraakte uiting klik op plaatje naast de intro en zie hier(p. 24 editie 27-10-2010 Noorderkrant), hier(pdf)

NRC (nieuw) art. 7
NRC (nieuw) art. 8.2 onder b
NRC (nieuw) art. 11 sub 1:  Reclame dient duidelijk als zodanig herkenbaar te zijn, door opmaak, presentatie, inhoud of anderszins, mede gelet op het publiek waarvoor zij is bestemd.

RB 439

Visitekaartjes prijzen softdrugs aan

Rechtbank Amsterdam 10 december 2009, LJN BK6060 (PROMIS)

Op 10 december heeft de rechtbank Amsterdam de eigenaar van een coffeeshop veroordeeld wegens het aanprijzen van softdrugs. Door het ter beschikking stellen van visitekaartjes heeft hij de verkoop, aflevering en verstrekking daarvan bevordert.

De eigenaar van de coffeeshop heeft 100 van de 17.000 visitekaartjes op de bar gelegd zodat klanten de kaartjes konden meenemen. De Rechtbank zag dit als een openbaarmaking als bedoeld in Art. 3b Opiumwet welk artikel er op gericht is het aanprijzen van drugs te verbieden. Daarvan is sprake zodra een mededeling in o.a. gedrukte tekst een dergelijke aanbeveling bevat. In het verweer werd op dit punt benadrukt dat de kaartjes bedoeld waren om de shop zelf te promoten en niet zozeer de drugs welke in de shop werden verkocht. De rechtbank ging daar echter niet in mee en stelde zich op het standpunt dat beide met elkaar zodanig verbonden zijn dat het adverteren voor een verkooppunt van drugs al dan niet indirect de aanprijzing van de drugs zelf impliceert. "Door te worden geconfronteerd met reclame voor een verkooppunt van softdrugs kunnen immers ook personen die niet de intentie daartoe hadden, op het idee gebracht of overgehaald worden om softdrugs te gaan kopen. In zo’n geval zal de desbetreffende uiting ook aangemerkt kunnen worden als kennelijk gericht op het bevorderen van de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs."  Dit is vooral het geval indien "sprake is van een reclame uiting (tekst of afbeelding) waaruit kan worden afgeleid dat het om een verkooppunt van softdrugs gaat waarbij tevens informatie over het adres van dit verkooppunt wordt gegeven. Een dergelijke combinatie van informatie zal naar het oordeel van de rechtbank de verkoop van softdrugs kunnen stimuleren omdat het hierdoor voor het publiek dat met een dergelijke uiting wordt geconfronteerd, gemakkelijk wordt gemaakt om het verkooppunt te vinden, wat uiteraard ook de bedoeling van deze informatie is." 

RB 382

Ongeoorloofde vergelijkende reclame

HvJ EG, 18 juni 2009, in zaak C-487/07, L’Oréal S.A. c.s. tegen Bellure N.V. c.s. (Prejudiciële vragen Court of Appeal (England & Wales) Lees arrest hier.

Expliciete of impliciete vermelding dat een productimitatie van een algemeen bekend merk is ongeoorloofde vergelijkende reclame en daardoor behaald voordeel levert een oneerlijk voordeel op.

Boeiend arrest in de vergelijkende parfumreclamezaak. Gebruik door een adverteerder van het merk van een derde in vergelijkende reclame die met name bestaat uit vergelijkingslijsten. Deze lijsten betreffen i.c. een vergelijk tussen tussen de geur van relatief zeer goedkope parfums en een met de merknaam aangeduid luxeparfums (Trésor, Miracle, Anaïs-Anaïs en Noa Noa). Dat de geuren van de goedkope parfums lijken op die van de bekende luxeparfums is geen toeval, de imitatie van de geur is een doelbewuste keuze van de fabrikant.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

2)  Artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 89/104 moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een ingeschreven merk gerechtigd is, een derde in vergelijkende reclame die niet voldoet aan alle voorwaarden voor geoorloofdheid genoemd in artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997, het gebruik te laten verbieden van een teken dat gelijk is aan dat merk en wordt gebruikt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor dat merk is ingeschreven, ook wanneer dat gebruik geen afbreuk kan doen aan de wezenlijke functie van het merk, die erin bestaat de herkomst van de waren of diensten aan te duiden, mits dat gebruik afbreuk doet of kan doen aan één van de overige functies van het merk.

3)  Artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 84/450, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55, moet aldus worden uitgelegd dat een adverteerder die in vergelijkende reclame expliciet of impliciet vermeldt dat de waar die hij in de handel brengt, een imitatie is van een waar met een algemeen bekend merk, „goederen of diensten voorstelt als een imitatie of namaak” in de zin van genoemd artikel 3 bis, lid 1, sub h. Het voordeel dat de adverteerder dankzij een dergelijke ongeoorloofde vergelijkende reclame behaalt, moet als een „oneerlijk voordeel” ten gevolge van de bekendheid van dat merk in de zin van dat artikel 3 bis, lid 1, sub g, worden beschouwd.

Lees noot Prof. Mr. Charles Gielen hier en noot van de hand van Prof. mr. D.J.G. Visser hier.

RB 362

Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken

HvJ EG, 23 april 2009, In de gevoegde zaken C-261/07 en C-299/07, VTB-VAB NV tegen Total Belgium NV en Galatea BVBA tegen Sanoma Magazines Belgium NV (verzoek van Rechtbank van koophandel te Antwerpen (België) om een prejudiciële beslissing)

Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Pechhulp bij tankbeurt en kortingsbon lingerie in lingeriespecial weekblad Flair. Richtlijn verzet zich tegen Belgische wet die verbod stelt op elk gezamenlijk aanbod van een verkoper aan een consument. Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad ("Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), dient aldus te worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationale regeling zoals die aan de orde in de hoofdgedingen, die, behoudens bepaalde uitzonderingen, elk gezamenlijk aanbod van een verkoper aan een consument verbiedt, ongeacht de specifieke omstandigheden van het concrete geval.

Lees het arrest hier.

RB 352

Een boodschap die afkomstig is van een onafhankelijke derde

HvJ EG, 2 april 2009, zaak C-421/07, Frede Damgaard (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Vestre Landsret (Denemarken) in de strafzaak tegen Frede Damgaard)

Reclamerecht. Geneesmiddelen voor menselijk gebruik. Richtlijn 2001/83/EG. Begrip ‚reclame’. Verspreiding van informatie over geneesmiddel door derde op diens eigen initiatief. Een boodschap die afkomstig is van een onafhankelijke derde, kan een reclamekarakter hebben.

"Artikel 86 van richtlijn 2001/83/EG (…) tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (…) moet aldus worden uitgelegd dat de verspreiding door een derde van informatie over een geneesmiddel, met name over de therapeutische of profylactische werking ervan, kan worden aangemerkt als reclame in de zin van dit artikel, indien deze derde op eigen initiatief handelt en feitelijk en rechtens volledig onafhankelijk is van de fabrikant of de verkoper van dat geneesmiddel. Het staat aan de nationale rechter, te bepalen of deze verspreiding een vorm van colportage, marktverkenning of stimulering vormt die is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen."

Lees het arrest hier.