RB 110

Het sigarettenmerk

Adformatie.nl  bericht dat de RCC heeft geoordeeld dat de vermelding van het sigarettenmerk Gauloises op de website van het Dakar-raceteam De Rooy, www.dakar-derooy.com, in strijd is met artikel 5 lid 1 van de Tabakswet (reclame en sponsoring).

RB 151

Claeryn niet meer nodig?

Voorzieningrenrechter rechtbank Arnhem, 16 augustus 2006, KG ZA 06-433, Koninklijke KPN. c.s. tegen UPC Nederland BV.(Vonnis met dank aan Alexandra van Beelen, DLA SchutGrosheide)

UPC gebruikt in haar reclames teksten als ‘geen KPN mee nodig’ en ‘KPN opzeggen’. KPN maakt hiertegen bezwaar uit hoofde van art. 13A lid 1 sub d BMW (gebruik anders dan ter onderscheiding van waren) en art. 6:194a BW (ongeoorloofde vergelijkende reclame).

Voorts heeft UPC in haar reclames gezegd dat er al 750.000 bellers en internetters zijn overgestapt. Volgens KPN is dit niet waar en derhalve in strijd met art. 6:194 BW (misleidende reclame).

KPN wordt in het gelijk gesteld wat art. 13A lid 1 sub d en art. 6:194a betreft. Enkel de verbodsvordering wordt toegwezen. De vorderingen tot rectificatie (internet, televisie en kranten) worden afgewezen.

Art. 13A lid 1 sub d BMW

De discussie spitst zich toe op de vraag of UPC een geldige reden had om het merk KPN te gebruiken. Volgens UPC hoeft er geen sprake te zijn van de door het Benelux Gerechtshof in Klarein / Claeryn gestelde ‘noodzaak’ om het merk te gebruiken. Dit volgt volgens UPC uit de merkenrichtlijn.

De voorzieningenrechter zoekt – opvallend – aansluiting bij de uitleg van het Hof van Justitie van art. 6 lid 1 sub c van de richtlijn (gebruik ter aanduiding van de bestemming van een product, met name als accessoire of onderdeel) welke uitleg is gegeven in Gilette / La-Laboratories. Daarin had het Hof van Justitie geoordeeld dat gebruik ter aanduiding van de bestemming niet is geoorloofd wanneer dat gebruik kleinerend is. Volgens de voorzieningenrechter vereist art. 6 lid 1 sub c eveneens een noodzaak om het merk te gebruiken, welk gebruik vervolgens moet overeenstemmen met de eerlijke gebruiken in handel en nijverheid.

De vraag of de merkenrichtlijn überhaupt gebruikt moet worden voor de uitleg van ‘geldige reden’ in art. 13A lid 1 sub d, dat blijkens art. 5 lid 5 van de richtlijn geen geharmoniseerde bepaling is, wordt in het vonnis niet aan de orde gesteld.

Art. 6:194a BW

“4.12  Uit die overwegingen [preambule van de richtlijn vergelijkende reclame onder 14. en 15.] volgt dat het gebruik van het merk en de handelsnaam ‘KPN’ in een vergelijkende reclame geoorloofd is als dat voor de vergelijking van de producten en de diensten noodzakelijk is. De vergelijking moet daarom centraal staan en niet het vergeleken product of de vergeleken dienst.”

Art. 6:194 BW

Omdat UPC 503.000 internet abbonnees en 325.000 telefonie abbonnees heeft, acht de voorzieningenrechter de mededeling dat er al 750.000 bellers en internetters zijn overgestapt niet misleidend. De stelling van KPN dat daarmee wordt gesuggereerd dat er 750.000 telefonie abbonnees zijn, wordt verworpen.

Lees het vonnis hier.

RB 150

Gratis bier

Beslissing van de Reclame Code Commissie Dossier 06.0299, Stichting Alcoholpreventie tegen : Kijkshop (Met dank aan Martin Hemmer, AKD Prinsen Van Wijmen).

Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen een reclamefolder waarin onder meer het volgende wordt aangeboden:  “Het eerste fust van uw favoriete bier gratis!” De aanbieding geldt bij aankoop van een Philips PerfectDraft HD3600 thuistap of een Krups Beertender 840 of IEF5.  De uiting zou in strijd met artikel 20 van de Reclamecode voor Alcoholhoudende Dranken (RVA) omdat een gratis fust bier wordt aangeboden.

Adverteerder verstrekt geen gratis bier en dat een koper het aankoopbedrag van zijn eerste fustje krijgt teruggestort, zal, volgens adverteerder  in redelijkheid niet leiden tot een verhoogde bierconsumptie. De Commissie oordeelt op formele gronden dat  Artikel 20 zich richt op situaties waar alcoholhoudende drank wordt aangeboden door een lid van de branche of met actieve medewerking van een lid van de branche. Nu adverteerster geen lid van de branche is en ook niet is gebleken van actieve medewerking van een lid van de branche, is artikel 20 hier niet van toepassing. De Commissie wijst de klacht dus af.

 

RB 149

Een molecuul in een cactus

Voorzieningenrechter Rechtbank Groningen, 9 augustus 2006, LJN: AY6043. Stichting Keuringsraad Aanprijzing Gezondheidsproducten (KAG) tegen Swiss B.V. c.s. 

Misleidende reclame voor afslankprodukt. Letter en strekking van onthoudingsverklaring. Statutaire belangenbehartiging. Buitengerechtelijke kosten.

Hoewel een zekere overdrijving, respectievelijk het overbelichten van positieve eigenschappen van een product inherent is aan (het wervende karakter van) reclame, moet men in beginsel op de juistheid van feitelijke mededelingen ter zake van een product kunnen vertrouwen.

 

 

Naar mate de eigenschappen van het aangeprezen product meer spectaculair zijn - zoals in het onderhavige geval - mogen strengere eisen worden gesteld aan de wijze waarop de omtrent het product gedane mededelingen feitelijk (kunnen) worden onderbouwd en verantwoord.

Ondanks het verzoek van de KAG aan Swiss om bewijs te leveren omtrent de juistheid van voormelde door Swiss gestelde feitelijkheden over de eigenschappen van het afslankmiddel is geenszins gebleken dat deze juist zijn, noch op voldoende wijze onderbouwd respectievelijk verantwoord.’

Dat sprake is van misleidende reclame-uitingen is door Swiss ten aanzien van de gevraagde verboden erkend door ondertekening van de onthoudingsverklaring. Er is sprake van een notoire veelpleger die weigert een onthoudingsverklaring versterkt door een boeteclausule te ondertekenen. Bedacht moet worden dat Swiss steeds nieuwe wegen inslaat om haar producten op misleidende wijze aan de consument voor te leggen, zodat de verboden zoals gevorderd gerechtvaardigd zijn.

Het had op de weg van Swiss gelegen haar reclame-uitingen niet alleen af te stemmen op de letter van de onthoudingsverklaring, maar ook op de strekking daarvan

Ingevolge artikel 3:305a BW kan een stichting een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Met het instellen van haar vorderingen behartigt de KAG het belang dat - kort gezegd - Swiss c.s. niet (meer) op mislijdende wijze in de zin van artikel 6:194 BW reclame maken voor het product. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit een belang dat de KAG ingevolge haar statuten behartigt. De KAG heeft bovendien een rechtstreeks eigen belang bij de door haar ingestelde vorderingen voortvloeiende uit een met gedaagde overeengekomen onthoudingsverklaring.

Buitengerechtelijke kosten. (…) Voorts geldt, dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten slechts toewijsbaar is, indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. De vordering van de KAG gaat het in het Rapport Voor-werk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven.

Uit de stellingen van de KAG kan niet worden afgeleid dat zij redelijkerwijs duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken dan in dit tarief is besloten. De stelling dat thans in IE-zaken de volledige proceskosten kunnen worden vergoed rechtvaardigt geen andere conclusie. De door de KAG gemaakte kosten moeten dan ook als onredelijk worden aangemerkt, voor zover zij het forfaitaire tarief overschrijden.

Lees het vonnis hier.

RB 109

Relatie met de werkelijkheid

Radiofreak.nl meldt: “Een spotje van de Publieke Omroep voor Radio 1 waarin een hond in de lucht wordt geslingerd door zijn baasje kan volgens de Reclame Code Comissie (RCC). De Commissie vindt dat het spotje humoristisch bedoeld is en 'dermate absurd dat een relatie met de werkelijkheid ontbreekt'. De Sophia-Vereeniging tot Bescherming van Dieren is het daar niet mee eens. Volgens de vereniging kan de spot wel degelijk leiden tot dierenmishandeling. De vereniging gaat dan ook in beroep.”

Lees hier meer.

RB 108

We doen onszelf dus tekort

De Volkskrant bericht over de jongste telecomreclamezaak: “De juridische afdeling van KPN heeft het er maar druk mee. De telecomaanbieder spant geding na geding aan tegen concurrenten. Ook de staat was deze maand het mikpunt van KPN’s juridisch geweld. Woensdag was de kabelexploitant UPC de klos, voor de rechtbank in Arnhem.

Om telefoneren via de kabel te promoten, heeft provider UPC reclamespotjes ontwikkeld met de zin ‘geen KPN meer nodig’.

 

“‘De boodschap van de campagne is: kom bij UPC, dan ben je eindelijk van KPN af. Dat kan echt niet,’ zegt Richard van Schaik, de advocaat van KPN. Het bedrijf eist een rectificatie en een boete van 50 duizend euro voor iedere nieuwe reclame-uiting waarin het zinnetje is opgenomen.

(…) Volgens de advocaat van UPC, Paul Reeskamp, is het nodig KPN te noemen, omdat de telefoon in huis door het merendeel van de bevolking wordt geassocieerd met KPN.

(…) Een andere kwestie die tijdens het geding ter sprake komt, is de advertentie van UPC met de tekst: ‘750 Duizend internetters/bellers gingen u voor.’ Volgens KPN heeft UPC de huishoudens met één pakket voor zowel bellen als internetten twee keer meegeteld (..) ‘Misleidende reclame’, aldus Van Schaik.

(…) Reeskamp weerlegt dit met gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek: ‘Het gemiddelde huishouden bestaat uit 2,3 personen. Op dit moment bellen en internetten 605 duizend huishoudens via UPC. (…)We doen onszelf dus tekort, want eigenlijk bellen en internetten 1,4 miljoen mensen via UPC.’

Van Schaik slaakt hierop een diepe zucht. ‘U denkt toch niet dat ik dit argument serieus neem?’

Uitspraak op 9 augustus

Lees hier meer.

RB 107

Moderne coupe

'Wordt het niet eens tijd voor een nieuw kapsel?' Met deze boodschap verspreidde kapper Jamal Saoud 20.000 flyers met de afbeelding van Balkenende en Wilders mét een moderne coupe. Ook zette hij de beeltenis van de twee politici in etalage van zijn kapsalon Haarvisie in Rijswijk.

De Rijksvoorlichtingsdienst zag er de humor niet van in. De directeur-generaal benadrukt nog maar eens dat een beeld van een regeringsleider niet gebruikt mag worden voor commerciële doeleinden zonder toestemming van de betreffende persoon. "Meneer heeft een standaard waarschuwingsbrief gehad. Dat is eigenlijk heel aardig van ons. We hadden hem ook direct voor de rechter kunnen slepen."

 

 

Saoud begrijpt het 'gezeur' niet. "De Kijkshop heeft eerder ook Balkenende gebruikt in een campagne en een schadevergoeding moeten betalen. Daar heb ik geen zin in. Het is alleen jammer dat de Kijkshop Balkenende belachelijk maakte en dat ik hem er juist leuker uit laat zien." Saoud haalt de poster van Balkenende uit de etalage.

En Wilders? Die vindt de RVD kinderachtig: "Het is een kleine ondernemer die op creatieve wijze reclame maakt. Ik ben niet van plan om mijn haar te veranderen zoals op de afbeeldingen in zijn zaak. Ik ga er ook geen probleem van maken dat hij mijn gezicht gebruikt. Dat zou ik wel doen als mijn hoofd elke dag in een spotje vóór het achtuur-journaal wordt uitgezonden."

Lees hier meer.

RB 148

Benelux Reclamerecht

Belgische zaak over de sponsored links van Google. Onder andere De Tijd bericht dat de reisaanbieder Travelprice door de rechter is verboden de merk- en handelsnaam van haar concurrent Airstop als adword in Google te gebruiken. Volgens de rechtbank maakte Travelprice zich schuldig aan parasitisme en ongeoorloofde reclame, aldus Airstop-woordvoerster Katharina Beelen. Bij herhaling van het misbruik zal Travelprice 50.000 euro per dag moeten betalen en een samenvatting van het vonnis zal op de homepage van Travelprice (lastminute.com) vermeld moeten worden.

Volgens de woordvoerdster van Airstop heeft ook Corendon de naam Airstop misbruikt. "In de gesponsorde links van Google verscheen bij het ingeven van de naam Airstop bovenaan een link onder de hoofding Airstop. Als je hierop klikte kwam je bij Corendon terecht. Corendon wijst zeer nadrukkelijk alle verantwoordelijkheid hiervoor af: zij hebben/hadden een contract met Google voor advertenties via het systeem Adwords maar zij hebben het ingeven/verfijnen van de zoektermen volledig aan Google overgelaten."

Airstop vreest dan ook dat Google mee schuldig kan zijn aan het bewust misleiden van bezoekers. "Wij hebben Google met de situatie geconfronteerd maar Google weigert elke samenwerking. We worden al maanden van het kastje naar de muur gestuurd en krijgen geen enkel antwoord meer op onze vragen."

RB 147

Recente RCC uitspraken

- De Reclame Code Commissie heeft reclame-uitingen voor de verzamelwerken “Creatief borduren” en “Tekenen” van Lecturama misleidend bevonden. Uit de reclame blijkt niet of niet duidelijk uit hoeveel “afleveringen” de verzamelwerken bestaan en welke kosten aan die afleveringen verbonden zijn.

- Swiss BV en de drogisterijen Herba en De Brink hebben voor de aanprijzing van het product Garlic Combi Gold gebruik gemaakt van een misleidende reclame-uiting. Dit product is niet ter toetsing voorgelegd aan de Keuringsraad Aanprijzing Gezondheidsproducten. In de uiting worden, niet onderbouwde, toespelingen gemaakt dat Garlic Combi Gold ziekten van een mens kan voorkomen, behandelen of genezen.

- De uitingen 'Gewrichten en spieren blijven soepel’ en  ‘Cranberry + vitamine C: Cran Combi voor gezonde blaas en nieren’ worden misleidend geacht, aangezien de adverteerders niet voldoende aannemelijk kunnen maken dat het product de werking heeft die daaraan in de advertentie wordt toegeschreven.

Lees hier meer.

 

RB 146

Geen verlies aan zuigkracht

Gerechtshof Amsterdam, 13 juli 2006, 1483/05. Philips Domestic Appliances And Personal Care International B.V. c.s. tegen Dyson B.V. c.s. (Met dank aan Hans van Walderveen, Klos Morel Vos & Schaap).

Hoger beroep. Dyson mag de claim 'Geen verlies aan zuigkracht'. blijven gebruiken. Het voor Dyson gunstige vonnis van de voorzieningenrechter Rechtbank Utrecht (hier) blijft grotendeels in stand. Alleen de grieven 3 en 9 (ten dele) slagen.

 

Dyson vordert in dit geding in conventie staking door Philips van iedere reclame-uiting als genoemd in de inleidende dagvaarding bedoelde lijst van claims, alsmede soortgelijke uitingen waarin wordt gesteld of gesuggereerd dat de Marathon niet aan zuigkracht verliest,  dat de zuigkracht van de Marathon constant (hoog) is, dat de Marathon een zuigkracht heeft van 350 airwatts, dat de Marathon qua zuigkracht de beste is in een bepaalde klasse. De claims van Philips zouden onjuist, onvolledig en suggestief en derhalve misleidend en/of onrechtmatig vergelijkend zijn.

In reconventie vordert Philips staking door Dyson van de bedoelde reclame-uitingen en andere uitingen waarin Dyson stof zuigers worden gepresenteerd als beter en/of efficiënter dan andere stofzuigers. Omdat deze ontoelaatbaar en onrechtmatig zouden zijn jegens Philips, waarbij Dyson volgens Philips bovendien ten onrechte superioriteit en uniciteit claimt in vergelijkingen met producten van concurrenten.

Ter toelichting op grief 3 voert Philips aan dat zij, anders dan in eerste aanleg per abuis door haar is gemeld, op haar website www-philips.com geen (op Nederland gerichte) reclame heeft gemaakt. Die webpagina is niet meer dan een openingspagina waarop de bezoeker na het kiezen van een land/taal automatisch wordt doorgelinkt naar de lokale website van het gekozen land, bijvoorbeeld www.philips,nl. Het gebod tot rectificatie op ook eerstgenoemde website acht zij daarom disproportioneel. Deze stellingen zijn door Dyson niet althans onvoldoende gemotiveerd bestreden. De grief slaagt derhalve en het vonnis dient in zoverre te worden aangepast.

Met grief 9 komt Philips op tegen het door de voorzieningenrechter toelaatbaar oordelen van de reclame- uitingen waarin Dyson claimt dat haar stofzuigers op het gebied van zuig-vermogen superieur zijn aan andere stofzuigers  Deze grief is ten dele terecht voorgedragen, namelijk voor zover zij ziet op de claims waarin wordt gesteld of gesuggereerd dat de Dyson stofzuigers geen stof in huis achterlaten terwijl andere stofzuigers dat wel doen. Deze claims zijn derhalve misleidend en daarom onrechtmatig jegens Philips zodat het vonnis in zoverre dient te worden vernietigd.

Eveneens toewijsbaar is de vordering om al het door afnemers/wederverkopers van Dyson in voorraad of in de winkel gehouden promotiemateriaal waarin de hierboven bedoelde claims voorkomen op eigen kosten terug te vragen en te vernietigen.

Lees het arrest hier.

RB 145

Een metershoge zuil

Rechtbank ’s-Gravenhage, 31 mei 2006, HA ZA 04-2610. Dr. Ing H.C.F. Porsche AG tegen Ekris Veenendaal B.V. c.s.

Dealerjurisprudentie. Porsche kan zich verzetten tegen het gebruik van haar beeldmerken door Ekris Exclusief. Het beeldmerkgebruik van Ekris in combinatie met een aantal andere omstandigheden (de termen "dealeroccassion" en "exclusief" alsmede het gebruik op een "merkzuil" en nog wel in voormalige dealershowroom) leidt ertoe dat bij het relevante publiek de indruk van een commerciële of bijzondere band tussen Porsche en Ekris kan ontstaan.

Ekris Trading drijft een onderneming die in tweedehands auto’s handelt onder de handelsnaam Ekris Exclusief. Zij deed dat aanvankelijk vanuit de vestiging waarin voorheen de Ekris BMW dealer was gevestigd. In maart 2004 heeft Porsche bij de (inmiddels: voormalige) showroom van Ekris in Arnhem een metershoge zuil aangetroffen.

Op deze zuil stonden behalve twee gecombineerde woord/beeldmerken van Porsche ook die van Mercedes Benz, Jaguar en Audi afgebeeld, alsmede in grote letters de woorden ‘Ekris” en ‘Exclusief’ en de aankondigende vermelding: “Verkoop dealeroccasions van o.a.”. Langs de weg stond een grote zuil met deze opmaak, bij de ingang van de showroom een kleinere versie.

Porsche vordert - samengevat — een merkinbreukverbod met inbegrip van het blijvend verwijderen van de Porsche gecombineerde woord/beeldmerken van de zuil bij Ekris’ showroom in Arnhem en van haar website, alsmede een verbod tot het maken van misleidende reclame.

Ekris beroept zich op uitputting van de merkrechten van Porsche. Naar het oordeel van de rechtbank levert evenwel de wijze waarop door Ekris in haar reclame gebruik is gemaakt van de Porsche woord-beeldmerken een gegronde reden in de zin van art. 13 lid 2 Gemeenschapsmerkenverordening, art. 7 lid 2 Merkenrichtlijn en art. 13A lid 9 BMW op voor Porsche om zich daartegen te verzetten, omdat zodoende gelet op de concrete omstandigheden van dit geval het gevaar bestaat dat bij liet publiek de indruk wordt gewekt dat er een commerciële of bijzondere band tussen Porsche en Ekris bestaat.

Van doorslaggevend belang is dat in de bedoelde combinatie gebruik wordt gemaakt van niet alleen het woord Porsche, maar juist van de bekende beeld- merken — zowel de als merk gedeponeerde gestileerde schrijfwijze van Porsche als het “schild/logomerk”, welke beeldmerken in ieder geval in de autobranche en zeker voor een bekend automerk als Porsche de indruk kunnen wekken dat een commerciële/bijzondere (samenwerkings)- band bestaat tussen Porsche en Ekris.

Het is ook in overwegende mate bestendige rechtspraak in kort geding in Nederland, dat gebruik van beeldmerken voor auto’s niet valt onder de uitputtingsregel. Dat versterkt tevens bedoelde indruk, zoals Porsche terecht aanvoert, omdat de specialisten-niet dealers van automerken in Nederland hun specialiteit juist kenbaar plegen te maken door vermelding van alleen woordmerken, zonder de beeldmerken erbij. Gebruik van beeldmerken van auto’s in de autobranche kan zodoende te meer bij het in aanmerking komende publiek de indruk wekken dat sprake is van een bijzondere band.

Er is i.c. onvoldoende belang bij een afzonderlijk verbod tot het maken van misleidende reclame daargelaten of aan de daaraan te stellen vereisten in het onderhavige geval wel is voldaan, welke vordering inimers geheel geënd is op het (voormalige) hanteren van de Porsche woord-beeldmerken door Ekris, Aangezien Porsche onweersproken heeft gelaten dat de ten processe bedoelde zuil bij de nieuwe showroom van Ekris Trading niet meer is geplaatst, wordt de gevorderde toezending van foto’s waaruit de gevorderde verwijdering van de Porsche merken van de zuit wordt getoond bij gebreke van belang afgewezen.

Nu geoordeeld wordt dat door het hanteren van de gecombineerde woord/beeldmerken van Porsche door Ekris sprake is van merkinbreuk, is aannemelijk te achten dat daarmee de mogelijkheid bestaat dat daardoor schade, waaronder mogelijk reputatieschade, is geleden door Porsche. Belangrijk element daarin is, zoals Porsche terecht stelt, dat zowel Porsche als BMW een gedegen reputatie en kwaliteitsuitstraling hebben en het Ekris concern de grootste BMW dealer van Nederland herbergt. Porsche heeft bovendien onweersproken gesteld dat één van de marketinginstrumenten van Porsche is het laten deelnemen van potentiële kopers aan proefritten op het circuit van Zandvoort, van welk marketinginstrument Ekris zich eveneens bedient (Ekris sponsort ook een BMW-raceteam).

De schadestaatvordering is op grond van dit één en ander toewijsbaar. Wel zij aangetekend dat Ekris, zoals zij terecht stelt, er op eerste sommatie van Porsche alles aan gedaan heeft om (verdere) schade te beperken door de gewraakte aanduidingen onmiddellijk blijvend te verwijderen, welk element in de schadestaatprocedure verder aan de orde kan komen.

Onbelangrijke omstandigheid, maar niet geheel ongeestig: Porsche werd vertegenwoordigd door mr. Bus.

Lees het vonnis hier.

RB 144

Dit is misleidend

Notariskamer Gerechtshof Amsterdam, 15 juni 2006, LJN: AX8850. Federatie Van Taxateurs, Makelaars En Veilinghouders In Roerende Zaken tegen Gerchtsdeurwaarder X.

Misleidende reclame. “Het hof is van oordeel dat het de gerechtsdeurwaarder niet vrij staat zich te afficheren door middel van het gebruik van zijn titel als gerechtsdeurwaarder of wel het gebruik van het woord beëdigd in samenhang met het woord taxateur, terwijl zijn werkzaamheden in geen enkele relatie staan tot het verrichten van ambtshandelingen. Het betreft hier immers de particuliere verkoop van schilderijen.

Ook staat het de gerechtsdeurwaarder niet vrij in dezen gebruik te maken van papier met een voorgedrukt deurwaarderszegel, nu dit gebruik hier eveneens niet enige ambtshandeling betreft. Door zich al dus te presenteren wekt de gerechtsdeurwaarder bij belanghebbenden de indruk dat er met betrekking tot de te verkopen objecten enige relatie bestaat met de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder. Dit is misleidend.”

Lees het vonnis hier.

RB 143

Grenzen overschreden

Bondsrepubliek Duitsland tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, 13 juni 2006, Zaak C-380/03.
 
Het Europese verbod op tabaksreclame, zoals opgenomen in artikel 3 en 4 van de richtlijn 2003/33/EG, is in lijn met artikel 95 EG, volgens Advocaat-Generaal Philippe Léger.
 
De Bondsrepubliek Duitsland diende een klacht bij het Hof van Justie van de EG omdat het meende dat het Europese reclame- en sponsorverbod voor tabaksadvertenties in strijd is met het EU-verdrag. De Duitse regering betoogde onder andere dat het Parlement en de Raad met de bestreden bepaling de grenzen hebben overschreden die het Hof heeft gesteld aan de bevoegdheid van de gemeenschapswetgever. Volgens de Bondsrepubliek regelen de aangevochten bepalingen nagenoeg uitsluitend situaties zonder grensoverschrijdende elementen. Derhalve vond de Bondsrepubliek dat er geen sprake van daadwerkelijke handelsbelemmeringen was noch van aanmerkelijke verstoringen van de mededinging, waarvan opheffing een noodzakelijke feitelijke voorwaarde is voor bevoegdheid van de Gemeenschap op basis van artikel 95 EG.

Léger redeneert echter als volgt:
 
219. As regards Article 3(1) of the directive, first of all, the Community legislature does not appear to have exceeded the limits of its discretion by considering that the prohibition of such advertising in printed publications, including in those having essentially local, and not exclusively cross-border coverage, is liable to contribute significantly to eliminating barriers to trade and to reducing nicotine addiction.

220. Limiting the prohibition on the advertising in question solely to publications having cross-border circulation between Member States would have been contrary both to the requirements of legal certainty and to the objective of the contested directive which is to facilitate the movement of products and services in the internal market whilst ensuring a high level of protection of public health. (118)

221. In actual fact, the Community legislative had good reason to believe that limiting the prohibition laid down in Article 3(1) of the contested directive in this way would be manifestly insufficient, or would even be pointless in terms of protecting public health. Many studies conducted by official observers had already shown (before the directive was adopted) that a fragmented or piecemeal prohibition of advertising of tobacco products would have very little impact on tobacco consumption, since such a measure would inevitably mean that advertising would be transferred to other media (not subject to that prohibition) with the result that public exposure to advertising would remain high, whereas a comprehensive prohibition in the media would very probably have a significant effect on the overall level of consumption and on nicotine addiction. (119)

222. Consequently, in my view, the prohibition of advertising of tobacco products laid down in Article 3(1) of the contested directive cannot be regarded as being manifestly disproportionate.

223. The same conclusion must be drawn with regard to the prohibition of advertising of tobacco products in information society services and on the radio under Articles 3(2) and 4(1) of the directive.

224. This applies a fortiori since, as is stated in the sixth recital to that directive, these media have, by their very nature, a cross-border character and, like television, are particularly attractive to young people. Young people are a favourite target for advertisers because of their natural suggestibility and their propensity to be dependent on tobacco products for longer than older people. It follows that the prohibition on advertising of such products in these media, like the prohibition laid down in Article 13 of the TVWF directive, is not at all disproportionate. Furthermore, more specifically as regards the prohibition applying to information society services, such a measure is clearly essential in the current situation of media convergence in order to prevent the prohibition applying to printed publications and radio programmes being circumvented.

225. As regards the prohibition on sponsorship of radio programmes by operators on the market in tobacco products under Article 4(2) of the contested directive, whilst it is true that, at first sight, it might be wondered whether such a prohibition is likely to have the same effects, in terms of level of consumption of these products, as prohibitions on the advertising of the products, in my view the fact remains that the Community legislature has not exceeded the limits of its discretion by considering, as the fifth recital to that directive suggests, that the promotion of such sponsorship is the natural extension of the prohibition on the advertising in question. Furthermore, Article 17(2) of the TVWF directive (adopted before the contested directive) provides, in almost identical terms, that '[t]elevision programmes may not be sponsored by undertakings whose principal activity is the manufacture or sale of cigarettes and other tobacco products'. These provisions concerning the sponsorship of television programmes reinforce my view that the prohibition laid down in Article 4(2) of the contested directive concerning the sponsorship of radio programmes is not manifestly disproportionate.

226. Therefore, in my view, none of the prohibitions laid down in Articles 3 and 4 of that directive manifestly exceeds the limits of what is necessary in order to attain the objectives pursued by the directive with the result that the plea alleging a breach of the principle of proportionality must be rejected.

227. This conclusion cannot be called into question by the argument that, by depriving the press bodies of considerable advertising revenue, the prohibitions of the advertising in question would result in a marked reduction in editorial content and even the closure of some publishers, which would contribute to weakening significantly the pluralism of the press and, consequently, freedom of expression. Even if the measures in question were liable to result in such extreme consequences, I consider, in the light of the case-law of the European Court of Human Rights, that the Community legislature has not exceeded the limits of the discretion it enjoys with regard to rules in a field as complex and fluctuating as advertising and sponsorship and responding, in the context of the creation of the internal market, to such a pressing social need as the protection of public health, at a high level.

228. I conclude that this final plea alleging a breach of the principle of proportionality must be rejected, as must the action in its entirety.

Lees de conclusie hier.

RB 142

Spannend

Persbericht Hoge Raad: Op 16 juni uitspraak Hoge Raad over auteursrechtelijke bescherming van geur van parfums (Lancôme/Kecofa).

Uitspraak om 10.00 uur. Vervolgens zal rond 10.45 uur een samenvatting van deze uitspraak worden gepubliceerd op hogeraad.nl/actualiteiten. De uitspraak zelf (rolnr. C04/327) wordt zo spoedig mogelijk daarna op de website rechtspraak.nl gepubliceerd.

Achtergrond. Lancôme brengt onder haar merk Trésor hier te lande een parfum op de markt. Kecofa brengt sinds circa 1993 onder het merk Female Treasure flacons eau de parfum op de markt. Dat merk staat in het Benelux Merkenregister ingeschreven ten name van de heer N. In deze procedure heeft Lancôme Kecofa en N. (hierna ook: Kecofa c.s.) in 2000 gedagvaard voor de rechtbank Maastricht. Lancôme vorderde een verbod op het verhandelen van Female Treasure en op door haar gewraakte reclame-uitingen, op straffe van een dwangsom, alsmede nietigverklaring van het merk Female Treasure, schadevergoeding en winstafdracht met de gebruikelijke nevenvorderingen. Aan deze vorderingen heeft Lancôme ten grondslag gelegd:

(a) dat het merk Female Treasure inbreuk maakt op het merk Trésor,
(b) dat Kecofa zich schuldig maakt aan misleidende reclame in de zin van art. 6:194 BW en
(c) dat sprake is van inbreuk op auteursrecht, aangezien de geur van Female Treasure een getrouwe nabootsing, en daarmee een verveelvoudiging, vormt van de exclusieve geur van Trésor en de verhandeling van deze geur een openbaarmaking is in de zin van art. 12 Auteurswet 1912 (Aw).

Kecofa c.s. hebben daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

De uitspraak van rechtbank en hof. Nadat de rechtbank Maastricht in een tussenvonnis van 18 april 2002 (zie LJnummer: AE1923), hersteld bij vonnis van 23 mei 2002, met betrekking tot de auteursrechtelijke grondslag - onder (c) - had geoordeeld dat de Auteurswet niet in weg staat aan auteursrechtelijke bescherming van een geurcombinatie, mits is voldaan aan de eisen, kort gezegd, die aan een werk in auteursrechtelijke zin worden gesteld, heeft de rechtbank Lancôme en Kecofa tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.

De rechtbank liet Lancôme toe te bewijzen dat de onder het merk Trésor aangeboden geur aan die eisen voldoet en dat de geurcombinatie van Female Treasure als bewerking of nabootsing van die van Trésor moet worden beschouwd; Kecofa mocht bewijzen, kort gezegd, dat de geurcombinatie van Female Treasure niet het resultaat is van ontlening aan Trésor.

Op het door beide partijen ingestelde hoger beroep heeft het hof 's-Hertogenbosch in zijn arrest van 8 juni 2004 (zie LJ nummer AP2368) het vonnis van de rechtbank vernietigd en de op het auteursrecht gebaseerde vordering van Lancôme tegen Kecofa toegewezen. De overige vorderingen van Lancôme tegen Kecofa en die tegen N. heeft het hof afgewezen.

Cassatie bij de Hoge Raad. Kecofa heeft beroep in cassatie ingesteld. Lancôme heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, zowel tegen Kecofa als tegen N. In deze procedure treedt voor Kecofa op: mr. R.S. Meijer, advocaat in Den Haag, en voor Lancôme: mr. T. Cohen Jehoram, advocaat in Den Haag, alsmede mr. Ch. Gielen, advocaat in Amsterdam.

Op 16 december 2005 heeft de advocaat-generaal mr. D.W.F. Verkade in zijn advies (hier) aan de Hoge Raad geconcludeerd in het principaal beroep tot vernietiging en verwijzing, en in het voorwaardelijk incidenteel beroep tot verwerping; voor zover het voorwaardelijk incidentele beroep is gericht tegen N., strekt zijn advies tot niet-ontvankelijkverklaring van Lancôme in haar beroep.

De Hoge Raad doet uitspraak op vrijdag 16 juni 2006, 10.00 uur. Vervolgens zal rond 10.45 uur een samenvatting van deze uitspraak worden gepubliceerd op de website hogeraad.nl/actualiteiten.
De uitspraak zelf (rolnr. C04/327) wordt zo spoedig mogelijk daarna op de website rechtspraak.nl gepubliceerd.

Den Haag, 14 juni 2006
mw. mr. E. Hartogs, griffier

Lees persbericht hier.

RB 141

Geen handelsmerk

Kamerstuk 30 402, nr. 12, Wijziging van de Mediawet in verband met additionele bezuinigingen op de rijksomroepbijdrage, verbeteringen in de financiële verslaglegging en de naamswijziging van het Bedrijfsfonds voor de pers; Amendement.

"Artikel 71m wordt vervangen door: Onverminderd het bepaalde in de artikelen 71j, k, tweede en derde lid, en 71l, eerste lid, worden in de programma’s van commerciële omroepinstellingen geen goederen, diensten, naam, handelsmerk, of activiteiten van een producent van goederen of een dienstverlener genoemd, indien dit door de omroep wordt gedaan met de bedoeling reclame te maken en het publiek kan worden misleid omtrent de aard van deze vermelding c.q. vertoning. Deze bedoeling wordt met name geacht aanwezig te zijn indien tegenover de vermelding c.q. vertoning een geldelijke of andere vergoeding staat."

Toelichting: Dit amendement strekt ertoe de regelgeving met betrekking tot sponsoring en reclame bij commerciële omroepen te verruimen tot het niveau van de Richtlijn Televisie zonder grenzen (89/552). De Nederlandse mediawetgeving stelt momenteel strengere eisen aan de mogelijkheden voor commerciële omroepen om gesponsorde programma’s en reclame uit te zenden dan volgens de Richtlijn televisie zonder grenzen strikt noodzakelijk, bijvoorbeeld betreffende diverse vormen van zogenaamde split screen advertising. Die strenge Nederlandse regels voor reclame en sponsoring belemmeren Nederlandse commerciële omroepen in te spelen op ontwikkelingen. Dit amendement voorziet erin alsnog een gelijk speelveld te creëren voor commerciële media die actief zijn op de Nederlandse markt."

RB 140

Omdat ze het waard is…

Rechtbank Den Haag, 14 juni 2006, HA ZA 01-1664 J. Guldenaar tegen L’Oréal Nederland B.V.

Het portret van het model Joyce Guldenaar is afgebeeld op haarproducten van L’Oréal. In 1998 zijn van het model in opdracht en voor rekening van het modellenbureau Karen Models foto’s gemaakt op verzoek van McCann-Erickson. Dit laatste bedrijf coördineert de reclame en promotieactiviteiten van L’Oréal. De foto’s werden gemaakt voor de verpakking van de producten Feria en Récital Preference van L’Oréal voor de Amerikaanse markt. Joyce Guldenaar heeft van Karen Models voor deze foto’s eenmalig $ 4.000,- gekregen.

Gezien aan L’Oréal slechts toestemming was verleend voor het gebruik van de foto’s in de Verenigde Staten, heeft Joyce Guldenaar L’Oréal in 2001 L’Oréal gesommeerd ieder gebruik van haar portret buiten de VS te staken. In de sommatie werd gevorderd iedere verspreiding van de L‘Oréal producten en reclamemateriaal met haar portret in Nederland, of althans buiten de VS te staken dan wel de schade die zij door dat gebruik heeft geleden te vergoeden.

Beiden partijen hebben geen kopie van de overeenkomst kunnen overleggen. Bij de beoordeling van de inhoud van de overeenkomst, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat Guldenaar bezwaar zou hebben gehad tegen het gebruik van haar portret buiten de VS. Dit alles mits die exploitatie wel op een professioneel verantwoorde wijze gebeurt, dus dat Guldenaar voor dat gebruik zou worden betaald. Aangezien Guldenaar voor het wereldwijde gebruik van haar portret niet is betaald, oordeelt de rechtbank toestemming voor dat gebruik niet geacht moet worden te zijn gegeven.

L’Oréal voert het verweer te goeder trouw te hebben gehandeld. De rechtbank honoreert dit verweer voor de periode tot 2001, het moment waarop L’Oréal de sommatiebrief heeft ontvangen. Tot dat moment mocht L’Oréal ervan uitgaan dat Karen Models over toestemming van Guldenaar beschikte. Vanaf het moment dat L’Oréal op de hoogte was van het standpunt van Guldenaar, rustte op L’Oréal de zorgvuldigheidsverplichting om zich te vergewissen van de bevoegdheid van de contractpartners van de L’Oréal-groep wereldwijd. Zij had alles moeten doen wat in haar vermogen lag om te verhinderen dat andere groepen van L’Oréal het portret van Guldenaar wereldwijd zouden gebruiken.

Bij het bepalen van de schadevergoeding haakt de rechtbank aan bij de tarieven die door het reclamebureau McCann-Erickson aan L’Oréal worden gehanteerd. Voor het vaststellen van de precieze omvang van de schade beveelt de rechtbank L’Oréal om nog nadere inlichtingen te geven. Echter, de rechtbank oordeelt dat L’Oréal in ieder geval voor een bedrag van EUR 40.000,- aansprakelijk is. Voor het overige bedrag wordt de zaak naar de rol verwezen.

Lees het vonnis hier.

RB 106

Het totale pakket

Handelingen nr. 85, pag. 5179-5197, 2e Kamer. Behandeling Wet handhaving consumentenbescherming (30411).

Veel over de RCC. Het geheel wordt kort samengevat door Staatssecretaris Van Gennip: “Misleidende reclame valt  straks onder de Consumentenautoriteit. Het totale pakket valt daaronder, ook de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.”

 

RB 139

Advocaat van Orange (2)

Rechtbank Haarlem,  7 juni 2006, LJN: AX7108 (Met  dank aan zowel Alexandra van Beelen, DLA SchutGrosheide, als Wouter Pors, Bird & Bird.)

Het omgekeerde van een schaars goed: een telecomreclamevonnis.

Orange voert op haar website en via haar televisiecommercials een reclamecampagne rondom de slogan “Bij Orange betaal je altijd per seconde, dus als je vijf seconden belt, betaal je ook vijf seconden”. KPN heeft gesommeerd het gebruik van de slogan in al haar reclame-uitingen met onmiddellijke ingang te staken.

KPN stelt dat Orange met de slogan ten onrechte pretendeert dat haar klanten uitsluitend voor het aantal gebelde seconden betalen. In werkelijkheid wordt daar bovenop immers voor ieder uitgaand gesprek een starttarief in rekening gebracht. KPN stelt dat aldus sprake is van misleidende reclame. Orange betwist dat.

Vast staat dat Orange bovenop de kosten voor het aantal gebelde seconden of minuten altijd een starttarief in rekening brengt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt dit feit in de televisie-commercials van Orange onvoldoende duidelijk kenbaar gemaakt en wordt door de slogan de suggestie gewekt dat de consument uitsluitend betaalt voor het aantal gebelde seconden.

In het laatste beeld van de commercial is weliswaar te lezen “Kijk voor de voorwaarden op www.orange.nl”, maar die toevoeging is te summier om de hiervoor genoemde suggestie te relativeren. De voorzieningenrechter acht de gewraakte reclame-uiting in de televisiecommercials van Orange daarom misleidend.

Dat geldt niet voor de reclame-uiting op de website. Daar is per 23 mei 2006 aan de slogan de zin toegevoegd “plus per gesprek het Orange starttarief voor het tot standbrengen van de verbinding.” Deze zin is - in een duidelijk leesbaar lettertype - tegelijk met de slogan te lezen. Daardoor wordt hier de suggestie dat uitsluitend voor de gebelde seconden moet worden betaald voldoende gerelativeerd. De reclame-uiting op de website is daarom niet (meer) misleidend te achten.

Orange stelt zich op het standpunt dat KPN door de gewraakte reclame-uitingen niet wordt benadeeld, omdat haar naam daarin niet wordt genoemd. Dit argument gaat echter niet op. Voldoende aannemelijk is geworden dat consumenten naar aanleiding van de door Orange gedane uitingen en de suggestie die daarvan uitgaat, de keuze zullen maken om van een andere aanbieder van telecomdiensten over te stappen naar Orange. Hierdoor zullen die andere aanbieders in het algemeen en KPN, als één van de grootste aanbieders, in het bijzonder, schade lijden in de vorm van omzetverlies.

Het belang van KPN bij de ingestelde vorderingen is dan ook voldoende aannemelijk geworden. Orange moet rectificeren, maar hoeft niet te vermelden dat de slogan onrechtmatig is jegens KPN, aangezien het niet zo kan zijn dat in de rectificatie reclame wordt gemaakt voor KPN.

Lees het vonnis hier. Eerder bericht hier.

RB 105

Eerijkheid en begrijpelijkheid

Het ANP bericht dat zorgverzekeraars eerlijke en begrijpelijke reclame moeten gaan maken. Daarvoor heeft de Nederlandse Zorgautoriteit in oprichting (CTG/ZAio) richtlijnen opgesteld. Deze zijn gebaseerd op tientallen klachten die de autoriteit kreeg sinds de invoering van het nieuwe zorgstelsel op 1 januari. Volgens de Zorgautoriteit probeerden de verzekeraars geregeld klanten te lokken met onvolledige of onjuiste informatie.

Lees hier meer (AD).

 

RB 138

Doelmatig voorschrijven 2006

Gerechtshof Arnhem, 30 mei 2006, LJN: AX4146. Artsen en Patiëntenorganisaties tegen Menzis c.s.

Na het arrest over de 'rationele module' (eerder bericht hier), nu een vervolg over de module 'doelmatig voorschrijven 2006', met een vleugje Reclamebesluit geneesmiddelen.

De patiëntenorganisaties en artsen stellen onder meer dat de handelwijze van Menzis c.s. strijdig is met regelgeving – met name het Reclamebesluit geneesmiddelen – die beperkingen stelt aan het maken van reclame voor geneesmiddelen.

Het hof: "Ook de aan het Reclamebesluit geneesmiddelen ontleende argumenten kunnen voorshands niet leiden tot toewijzing van de vordering. De module is niet gericht op – en leidt ook niet tot – het bevorderen van de afzet van geneesmiddelen waarop de definities van artikel 1 van het besluit zich richten. In dat verband is van belang dat de module, gegeven de medische noodzaak een statine of protonpompremmer voor te schrijven, slechts de keuze binnen de daartoe beschikbare alternatieven beïnvloedt, waarbij het voor te schrijven middel (simvastatine respectievelijk omeprazol) wordt aangeduid met de stofnaam en niet met één van de specifieke productnamen waaronder de verschillende fabrikanten het desbetreffende middel op de markt brengen. De module is derhalve niet gericht op – en leidt ook niet tot – vergroting van de afzet van geneesmiddelen in het algemeen, noch is zij gericht op – of leidt zij tot – vergroting van de afzet van een specifiek product van een bepaalde fabrikant. Gelet ook op het doel van de module – kort gezegd: kostenbeheersing – volgt daaruit dat het aanbieden van en uitvoering geven aan de module niet valt onder het begrip reclame zoals het besluit die beoogt te reguleren. Het oordeel van de voorzieningenrechter omtrent het toepassingsgebied van het Reclamebesluit en de daartegen aangevoerde grieven behoeven derhalve geen (verdere) bespreking."

Lees het arrest hier.