RB 165

Tabaksproducten

HvJ EG, 12 december 2006, zaak C-380/03, Bondsrepubliek Duitsland tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie.

Het HvJ verwerpt het beroep van de Bondsrepubliek Duitsland tegen het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie met betrekking tot de nietigverklaring van de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2003/33/EG (reclame en sponsoring voor tabaksproducten).

Het beroep van de Bondsrepubliek Duitsland betrof met name formele gronden, zoals de grondslag van de Richtlijn, schending motiverinsplicht, schending van de regels inzake de medebeslissingsprocedure en schending van het evenredigheidsbeginsel.

Het Hof oordeelt dat wanneer er belemmeringen voor het handelsverkeer bestaan of het waarschijnlijk is dat dergelijke belemmeringen zich in de toekomst zullen voordoen, omdat de lidstaten ten opzichte van een product of een categorie van producten uiteenlopende maatregelen hebben genomen of nemen die geen gelijk beschermingsniveau verzekeren en aldus het vrije verkeer van het betrokken product of de betrokken producten in de Gemeenschap beletten, artikel 95 EG de gemeenschapswetgever de bevoegdheid geeft in te grijpen. Aangezien de nationale regels ten tijde van het opstellen van de Richtlijn sterk verschilden, tengevolge waarvan het vrije verkeer van goederen en diensten belemmerd kon worden, kon artikel 95 EG Verdrag als basis dienen voor de Richtlijn.

Tevens geeft het Hof aan dat de uitdrukking „gedrukte publicaties" in artikel 3, lid 1 Richtlijn slechts ziet op publicaties zoals kranten, tijdschriften en magazines, en niet op krantjes van lokale verenigingen, programma's van culturele evenementen, aanplakbiljetten, telefoonboeken en diverse pamfletten en folders.

Lees het arrest hier.

RB 218

Concurrerende tandpasta fabrikanten

Gerechtshof Amsterdam, 30 oktober 2007, LJN: BB9134, Gaba B.V. tegen Glaxosmithkline Consumer Healthcare B.V. c.s.

Reclamezaak. Geschil tussen tandpasta fabrikanten Gaba en GSK over de vraag of, en zo ja, in hoeverre de reclamecampagnes van GSK met betrekking tot de werking van Proglasur tegen tanderosie misleidend zijn. 

Glaxosmithkline (GSK) zich heeft in 2006 haar nieuwe tandpasta Sensodyne Proglasur geïntroduceerd met een grootschalige reclamecampagne, waaronder twee TV-commercials. Gaba en GSK zijn het er over eens dat Proglasur een product is dat op zichzelf kan helpen te beschermen tegen tanderosie (al is die bescherming door een tandpasta volgens Gaba in alle gevallen inadequaat). Gaba stelt dat iedere verdere claim die GSK doet – "beschermen" tegen tanderosie, "helpen" tegen (de gevolgen van) tanderosie of (de gevolgen van) tanderosie "helpen te verhelpen" en "uniek", "nieuw", "speciaal ontwikkeld" of "beter" product – te ver gaat omdat, kort samengevat, in beginsel alle (voldoende) fluorhoudende tandpasta's eenzelfde werking hebben als Proglasur. GSK stelt echter dat zij niet meer claimt dan de kwalificaties dat Proglasur speciaal ontwikkeld is en het tandglazuur verhardt en helpt te beschermen tegen tanderosie.

Het hof stelt voorop dat: “4.3 (…)Voor een vordering gegrond op artikel 6:194 BW is vereist dat de mededeling misleidend is en heeft de rechter zich in het bijzonder af te vragen of de betrokken reclame een onjuiste voorstelling heeft gewekt of kan wekken bij het gemiddelde publiek, waarbij hij moet uitgaan van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument, die zich bewust is van en zich niet laat beïnvloeden door het feit dat aan reclame vaak een zekere overdrijving eigen is. Van misleidende reclame is sprake wanneer deze zodanige onwaarheden of halve waarheden bevat dat het publiek in goed vertrouwen afgaat op de juistheid van de gedane mededelingen en als gevolg daarvan bij voorbeeld tot aankoop van de aangeprezen goederen overgaat. Niet is vereist dat men in een reclamemededeling steeds volledigheid betracht. Men mag van een zodanige mededeling slechts verlangen dat zij voldoende volledig is om te voorkomen dat het publiek door hetgeen wordt meegedeeld tot een verkeerde voorstelling omtrent relevante feiten wordt gebracht en aldus wordt misleid. Voorts geldt ingevolge artikel 6:195 lid 1 BW dat, als eiser (hier: Gaba) voldoet aan zijn stelplicht en aldus voldoende gemotiveerd aangeeft dat en waarom de betrokken mededeling misleidend is, de gedaagde (hier: GSK) de bewijslast heeft met betrekking tot de juistheid of volledigheid van de in de mededeling vervatte of gesuggereerde feiten waarop het beweerde misleidend karakter van de mededeling berust, hetgeen voor een procedure in kort geding als de onderhavige meebrengt dat GSK de juistheid en/of volledigheid van de betrokken feiten aannemelijk heeft te maken.”

Gaba heeft er onder meer op gewezen dat GSK herhaaldelijk de uiting "Bescherm je gebit tegen tanderosie!" heeft gebruikt, en dat deze uiting suggereert dat de consument door het gebruik van Proglasur het ontstaan van tanderosie kan voorkomen. De voorzieningenrechter heeft deze stelling op zichzelf juist geoordeeld, maar daaraan toegevoegd dat, nu op de verpakking duidelijk staat vermeld dat Proglasur helpt te beschermen tegen tanderosie, daarover anders moet worden geoordeeld, omdat de consument door het woord "helpt" immers wordt gewaarschuwd dat hij voor het voorkomen van tanderosie niet alleen op het gebruik van Proglasur kan vertrouwen. Anders dan de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat de (imperatieve) uiting "Bescherm je gebit tegen tanderosie!" door het gemiddelde publiek primair in elk geval als een aansporing zal worden gezien om iets tegen tanderosie te ondernemen, althans dat deze uiting niet zonder meer suggereert dat het gebruik van Proglasur vrijwaart tegen tanderosie. Relevant is daarbij dat de uiting luidt "Bescherm je gebit tegen tanderosie!", en niet bijvoorbeeld "Bescherm je gebit tegen tanderosie door middel van Proglasur!" of "Bescherm je gebit tegen tanderosie met behulp van Proglasur!" Bovendien neemt het hof daarbij in aanmerking dat in veel reclames dergelijke (zeer algemene) uitingen of uitroepen worden verwerkt en dat aan reclameuitingen (nu eenmaal) een zekere overdrijving eigen is.

In het incidenteel appèl beklaagt GSK zich bij het hof dat haar tweede TV-commercial (uit september 2006) misleidend is bevonden door de voorzieningenrechter, omdat door het gebruik van de woorden "wat kun je doen", na een visuele afbeelding van door beginnende tanderosie dunner en transparanter geworden tanden, de suggestie kan worden gewekt dat Proglasur tanderosie kan verhelpen of helpen verhelpen. Het hof kan GSK hierin niet volgen. “Hoewel de vraag "wat kun je doen" inderdaad een algemene open vraag is, zoals GSK stelt, kan daaraan niet de conclusie worden verbonden – zoals GSK wel doet – dat deze vraag nergens op aanstuurt en dat meerdere antwoorden mogelijk zijn. Als de TV-commercial in zijn geheel wordt bezien is de totaalindruk onmiskenbaar dat er iets te doen valt aan de reeds dunner en transparanter geworden tanden – de vraag die wordt gesteld luidt bijvoorbeeld niet: "wat kun je doen aan het voorkomen hiervan?" – en dat onder meer een tandpasta als Proglasur dat kan. Nu echter vaststaat dat tandglazuur dat ten gevolge van tanderosie is verdwenen niet kan worden hersteld door het gebruik van fluoride bevattende tandpasta, is deze commercial misleidend.” (4.16)

“4.19 In het vonnis waarvan beroep zijn de eerste en tweede TV-commercial beoordeeld en beide als misleidend aangemerkt. Over het misleidend karakter van de eerste TV-commercial zijn partijen het eens (tegen het oordeel van de voorzieningenrechter is door GSK althans geen grief gericht), terwijl de grief tegen het oordeel van de voorzieningenrechter omtrent de tweede TV-commercial niet kan slagen. De overige reclameuitingen die GSK met betrekking tot Proglasur heeft gehanteerd, zijn noch in eerste aanleg, noch in het onderhavige hoger beroep misleidend geoordeeld. Gelet hierop is juist dat slechts rectificatie via de televisie van de (twee) uitgezonden reclamespots is bevolen. Gelet op onder meer de mate van misleiding in die reclamespots, de intensiteit van de gevoerde campagnes en de belangen die voor Gaba op het spel stonden, acht het hof rectificaties als door de voorzieningenrechter in het vonnis waarvan beroep (onder 5.3) gegeven, passend. Tegen de klacht van Gaba dat de rectificaties tijdens een voetbalwedstrijd zouden zijn uitgezonden – zodat sprake was van een minder grote kijkdichtheid – heeft GSK gesteld dat dit slechts een van de twee rectificaties betrof en dat de doelgroep vooral vrouwen betrof waarvan een grote groep in elk geval geen voetbal zal hebben gekeken, welke stellingen door Gaba niet althans onvoldoende zijn weersproken.(…)”

Het hof bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht van 27 oktober 2006.

Lees het arrest hier.

RB 217

Concurrerende elektrische tandenborstels

Rechtbank Utrecht, 3 december 2007, KG ZA 07-1106, Procter & Gamble Nederland B.V. tegen Philips Domestic Appliances and Personal Care B.V. c.s. (met dank aan Marjolein Driessen, Leijnse Artz).

Reclamezaak over superioriteitsclaims met betrekking tot elektrische tandenborstels van Philips en Procter & Gamble.

Philips brengt elektrische tandenborstels op de markt onder het merk Sonicare. Het nieuwste model is de Sonicare Flex Care. Procter&Gamble brengt onder het merk Oral-B concurrerende elektrische tandenborstels op de markt, waaronder de Oral-B Triumph, de Oral-B Vitality Sonic en de Oral-B Sonic Complete.

De rechtsvoorganger van Procter&Gamble (Gillette Groep Nederland) heeft in het verleden in diverse Europese landen uitgebreid met Philips geprocedeerd over reclameclaims met betrekking tot vorige modellen elektrische tandenborstels. Uiteindelijk is tussen partijen op 14 juni 2005 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de aanduiding “new” voor een nieuw model elektrische tandenborstel vanaf zes maanden na de marktintroductie niet meer mag worden gebruikt. 

Procter & Gamble vordert in conventie een verbod terzake van zeven reclameclaims die door Philips zijn gebruikt in het kader van de introductie van de Sonicare Flex Care. De vorderingen van Procter & Gamble worden grotendeels toegewezen, omdat volgens de voorzieningenrechter op grond van artikel 6:194 en 6:194a BW sprake is van misleidende,  vergelijkende reclame.

De claims van Philips dat klinisch is bewezen dat de Sonicare FlexCare meer plaque verwijdert dan de Oral-B Triumph zijn volgens de voorzieningenrechter misleidend, omdat de door Philips overgelegde onderzoeksresultaten deze claims onvoldoende aannemelijk maken. Hetzelfde geldt voor de claim dat de Sonicare FlesCare meer plaque verwijdert dan andere toonaangevende tandenborstels, in aanmerking genomen dat op de Nederlandse markt uitsluitend tandenborstels van Philips en Oral-B als toonaangevend kunnen worden beschouwd.

Ook de vordering van Procter & Gamble terzake van de algemenere reclame claims van Philips, waarin impliciet of expliciet de Sonicare FlexCare wordt gepresenteerd als beter en/of effectiever dan de Oral-B tandenborstels is toewijsbaar, met dien verstande dat het Philips niet is toegestaan om reclameclaims openbaar te maken waarmee impliciet of expliciet de Sonicare FlexCare wordt gepresenteerd als beter en/of effectiever dan de elektrische Oral-B tandenborstels.

Philips vordert in reconventie een verbod terzake van een tiental reclameclaims van Procter & Gamble terzake van de Oral-B Triumph en de Oral-B Vitality Sonic. Het gevorderde verbod wordt alleen toegewezen terzake van de claim “Neu/Nouveau” op de voorkant van de Nederlandse verpakkingen van de Vitality Sonic, op grond van overtreding van de Settlement Agreement. Procter & Gamble heeft zich volgens de voorzieningenrechter niet schuldig gemaakt aan misleidende of onjuiste vergelijkende reclame.

Lees het vonnis hier.

RB 164

Gehengen en gedogen

Gerechtshof Amsterdam, 23 november 2006, LJN: AZ3550, Bavaria tegen KNVB

Hoger beroep op dit kortgedingvonnis, grotendeels over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden, met een klein staartje reclame.

Voorafgaand aan de oefenwedstrijd op 27 mei 2006 tegen Kameroen in het Feyenoordstadion te Rotterdam, heeft Bavaria in de buurt van dat stadion ongeveer 15.000 leeuwenhosen aan het publiek uitgedeeld. Bij binnenkomst van het stadion moesten allen die een leeuwenhose droegen of bij zich hadden, deze op bevel van de KNVB uittrekken en/of afstaan.

In aanvulling op de vordering van de KNVB vordert Appellant sub 2 in hoger beroep naast de in conventie reeds gegeven veroordelingen veroordeling van de KNVB te gehengen en te gedogen dat hij bij wedstrijden die onder verantwoordelijkheid van de KNVB worden georganiseerd en/of plaatsvinden, een leeuwenhose draagt of bij zich heeft in en bij het desbetreffende stadion.

Appellant sub 2 stelt dat de standaardvoorwaarden, waarin staat vermeld dat toegangsbewijzen niet gebruikt mogen worden voor commerciële doeleinden, vernietigbaar dan wel niet van toepassing zijn, omdat deze hem niet bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld. Voorts stelt hij dat de standaardvoorwaarden onredelijk bezwarend zijn. Beide verweren falen.

Ten aanzien van de grieven van de KNVB het volgende. De KNVB wil voorkomen dat Bavaria door het op grote schaal uitdelen of verkopen van leeuwenhosen sluikreclame bedrijft. Bavaria stelt dat de leeuwenhose een promotieartikel is en niet geschikt is om reclame mee te maken, aangezien de naamsvermelding daarop veel te klein is om een vanuit reclame oogpunt relevante impact te hebben.

Het hof: "De leeuwenhose wordt door Bavaria verkocht en uitgedeeld om –zo mag worden aangenomen- de verkoop van het door haar gebrouwen bier te bevorderen. Deze heeft derhalve te gelden als een vorm van reclame. Door nu op zeer grote schaal leeuwenhosen bij een wedstrijd van het Nederlands elftal uit te delen, wetend en zelfs beogend dat de toeschouwers deze zullen meenemen en zullen dragen in het stadion, maakt Bavaria reclame in het stadion hetgeen onrechtmatig is jegens Heineken die –naar onbestreden is- een aanzienlijk bedrag moet betalen om exclusief reclame in het stadion te mogen maken, en onrechtmatig jegens de KNVB omdat de waarde van sponsorcontracten daardoor zou kunnen worden aangetast. Dat de effectiviteit van Bavaria’s reclame-uiting naar haar zeggen niet zeer groot is, wat daar verder van zij, maakt deze inbreuk op de exclusiviteit van reclame in het stadion niet rechtmatig." Het hof bekrachtigt aldus het vonnis van de voorzieningenrechter.

Lees het arrest hier.


 

RB 163

Champagnebier

HvJ EG, conclusie AG Mengozzi, 30 november 2006, zaak C- C-381/05.  De Landtsheer Emmanuel SA tegen Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne en Veuve Clicquot Ponsardin SA

De Belgische bierbrouwer Landtsheer brengt een op bubbelwijn geïnspireerde bier op de markt onder de naam “Malheur Brut Reservé”. Op de fles stond ook de tekst “het eerste BRUT bier ter wereld”. Ook is door de directeur van Landtsheer de term “Champagnebier” gebezigd en werd in interviews en artikelen op andere wijzen naar Champagne.

Het Comité  Interprofessionel du Vin de Champagne en Veuve Clicquot vinden dit misleidende en ontoelaatbare vergelijkende reclame en spannen een procedure aan en krijgen in eerste instantie gelijk. Het Brusselse Cour d’appel stelt vragen aan het Hof van Justitie.

Vergelijkende reclame.  In de eerste plaats wil het Cour d’appel weten of de definitie van vergelijkende reclame ook reclameboodschappen omvat waarin de reclamemaker enkel een verband legt met een bepaalde warenklasse zodat alle ondernemingen die in die warenklasse actief zijn een beroep zouden kunnen doen op de regels met betrekking tot vergelijkende reclame?

De AG verwijst naar de Toshiba uitspraak (25 oktober 2001, C-112/99, r.o. 29 e.v.) waarin het Hof oordeelde dat vergelijkende reclame alle reclame is waarin direct of indirect een concurrent of diens producten herkenbaar worden gemaakt. Volgens de AG is een verwijzing naar een warenklasse nog niet hetzelfde als het identificeerbaar maken van een concurrent of diens producten.

Concurrent. Voorts wil het cour d’appel weten of onder concurrent in de zin van artikel 2 van de Richtlijn Vergelijkende Reclame (97/55/EG) iedere onderneming moet worden verstaan die wordt genoemd in de reclame, ongeacht wat die onderneming aanbiedt. Met andere woorden, moet het daadwerkelijk om een concurrent gaan?

De AG twijfelt niet. De richtlijn is duidelijk: het moet gaan om concurrerende ondernemingen waarbij de AG wel een breed begrip van concurrentie aanhangt. Concurrentie in de zin van deze richtlijn is een breder begrip, aldus de AG, dan concurrentie in de zin van de mededingingsrechtelijke Relevante markt..De AG gaat ervan uit dat het hoofddoel van reclame is de vraag naar ene product te doen verhogen terwijl het hoofddoel van vergelijkende reclame volgens de AG zou zijn de vraag naar een concurrerend product ten opzichte van het eigen product te doen verlagen. Daarentegen kan vergelijkende reclame de consument helpen een keuze te maken.

De AG meent dat de regels betreffende vergelijkende reclame moeten zien op reclame die zich op dat vlak afspeelt en dus waar er sprake is van een zekere mate van substitueerbaarheid van producten. Anders dan in mededingingsrechtelijke overwegingen, wordt die substitueerbaarheid geabstraheerd van de prijs.

Het gaat, aldus de AG, erom of er een potentiële concurrentie bestaat tussen de ondernemingen of hun producten, rekening houdend met de toekomistige ontgwikkelingsmogelijkgheden, gebruikersgewoontes en de bijzonderheden van de betreffende producten.

Toch verbieden?

Ten slotte wil het Cour d’appel weten of de nationale regels een dergelijke reclame, wanneer die niet als vergelijkende reclame kan worden aangemerkt, toch mag verbieden. Dergelijke reclame valt buiten het bereik van de richtlijn en moet worden beoordeeld naar nationaal recht.

Sub f: oorsprongsbenaming

Tenslotte oordeelt de AG dat iedere vergelijkende reclame tussen waren met oorsprongsbenaming en waren zonder die oorsprongsbenaming ongeoorloofd.

Lees de conclusie hier

RB 162

Zonder grenzen (2)

In aansluiting op dit eerdere bericht, meldt het ANP dat  “Tv-reclame niet meer in de blokken hoeft te worden uitgezonden. Zenders mogen de commercials over het  hele uur spreiden. Wel blijft er een maximum van twaalf minuten per uur.

Ministers van de EU-landen hebben hierover gisteren een compromis bereikt. Het Europees Parlement geeft in december zijn oordeel. Alleen  kinder- en nieuwsprogramma's mogen pas na een half uur worden onderbroken voor reclame. (…) Nederland probeerde in de EU-wet op televisie vergeefs meer bevoegdheid te krijgen over buitenlandse zenders die zich op Nederlandse kijkers richten, maar kreeg onvoldoende steun. De EU-regels voor televisie gaan ook gelden voor programma's via internet en telefoon. Dat betekent dat die ook een minimumaantal programma's van Europese makelij moeten uitzenden.”

Lees hier meer (adformatie.nl).

RB 161

Handhavend optreden

De Eerste Kamer heeft op 7 november de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) aangenomen. Op basis van deze wet krijgt de Consumentenautoriteit bevoegdheden om haar taak met betrekking tot consumentenbescherming uit te voeren. 

De Consumentenautoriteit kan handhavend optreden tegen overtredingen.Organisaties als bijvoorbeeld de Stichting Reclame Code spelen een belangrijke rol bij het beschermen van consumenten. Uitgangspunt is dat de Consumentenautoriteit wordt gebouwd op dit ‘private fundament’. Dit betekent dat de Consumentenautoriteit geen taken of bevoegdheden van bestaande organisaties overneemt. Zo zal de Consumentenautoriteit bijvoorbeeld met de Stichting Reclame Code afspreken dat inbreuken op de regels van misleidende reclame in beginsel door de SRC zullen worden behandeld. Als een aanbieder zich onttrekt aan de reclamecode of een oordeel van de SRC in de wind slaat, kan de Consumentenautoriteit optreden. Kort gezegd geldt: waar mogelijk werkt het toezicht door de Consumentenautoriteit aanvullend op de activiteiten van de genoemde organisaties, waar nodig versterkend

Behalve de Consumentenautoriteit worden in de Whc ook de Autoriteit Financiële Markten, het Commissariaat voor de Media, de Inspectie Verkeer & Waterstaat, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Voedsel en Warenautoriteit aangewezen als bevoegde autoriteit om op te treden tegen grensoverschrijdende inbreuken voorzover die betrekking hebben op hun werkterrein.

Lees hier meer. 

RB 160

Zelfs het tappen van een glas bier

Persbericht Vereniging voor Reclamerecht (VvRr): Definitie Alcoholreclame in de Drank-en Horeca- wet gaat te ver.

Binnenkort zal de ministerraad zich buigen over een wetsvoorstel voor wijziging van de Drank-en Horecawet. In dit wetsvoorstel is een zeer ruime definitie van alcoholreclame opgenomen, die is afgekeken van de definitie van reclame in de Tabakswet. Gelet op de grote praktische en juridische problemen die de Tabakswet heeft veroorzaakt, heeft de VvRr een studiecommissie ingesteld om over de definitie van alcoholreclame in de Drank- en Horecawet te adviseren.

Het advies, dat door de VvRr vorige week dinsdag met haar leden is besproken, is op 3 november aan de Ministerraad gestuurd. De conclusie van het advies is dat de voorgestelde definitie niet helder en onnodig ruim is. Toepassing van de definitie in de toekomst door de Minister van VWS zal al snel leiden tot strijd met de vrijheid van meningsuiting.

 

Een parallel met de Tabakswet is er bovendien niet, nu de overheid beoogt alle gebruik van tabak tegen te gaan, terwijl in het geval van alcohol het overheidsbeleid alleen gericht is op het bestrijden van misbruik, maar niet van verantwoord gebruik . Voor alcohol wordt daarom ook niet zoals bij tabak gedacht aan een totaal- verbod voor reclame. Dat moet gevolgen hebben voor de manier waarop reclame wordt gedefinieerd.

Suzanne Poelmann-Teijgeler, voorzitter van de studiecommissie licht toe: “Volgens de nieuwe Drank- en Horecawet is straks alles alcoholreclame. Zelfs het tappen van een glas bier door de barman in een café valt eronder. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Het geeft veel gedoe en het is net als bij de Tabakswet straks de rechter die het probleem mag gaan oplossen. Dat kost alle betrokkenen, waaronder de overheid, veel tijd en geld. Het zou beter zijn een heldere definitie te formuleren waarmee je dat soort problemen op voorhand voorkomt. Wij hebben daartoe een voorstel gedaan, op basis van andere definities van reclame die in de praktijk hun waarde hebben bewezen”.

De Studiecommissie staat onder leiding van Suzanne Poelmann-Teijgeler (advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek teAmsterdam) en bestaat verder uit Janna van Olst (advocaat bij Stibbe teAmsterdam), Kees Schillemans (advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer teAmsterdam), SimoneWesseling (lid VvRr) en Willem Leppink, secretaris van deVvRr. Om belangenconflicten te voorkomen heeft het bestuur in de studiecommissie geen bedrijfsjuristen van de drank industrie laten plaatsnemen.

Lees het advies hier.

RB 159

De gekozen vergelijking

Voorzieningenrechter Rechtbank Breda, 25 oktober 2006, LJN: AZ0888. Nederlandse Zuivel Organisatie tegen Alpro Nederland B.V. c.s.

Reclamezaak over melk, soya, cholesterol en gezondheid. NZO is de brancheorganisatie van de Nederlandse zuivelindustrie. Gedaagden brengen onder meer sojamelk en desserts op de markt. Sinds kort wordt op de Nederlandse televisie een reclamespotje voor sojamelk van het merk Alpro soya uitgezonden. In dat spotje wordt volgens NZO met voornoemde reclame-uitingen ten onrechte de indruk gewekt alsof de sojaproducten van gedaagden melkproducten zijn, zodat sprake is van misleidende reclame.

 

Verder zouden gedaagden onrechtmatig handelen door bij het grote publiek met zoveel woorden de indruk te wekken dat er een voedingskundig- en gezondheidsprobleem zou zijn doordat in zuivelproducten cholesterol zit en door zuivelproducten in verband te brengen met cholesterol. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe.

- De suggestie dat sojamelk een (zuivel)product is dat met echte melk kan worden vergeleken, is gelet op de definitie van het begrip melk in art. 2 van de EG-Verordening 1898/87, misleidend ten aanzien van de aard en de herkomst van het product.

- De verklaring dat de uiting het karakter heeft van een grap waarbij met de slogan “Kies je voor melk met of zonder cholesterol?”, humoristisch gerefereerd wordt aan melk, volgt de voorzieningenrechter niet. Van enig humoristisch, parodiërend effect dat de vergelijking zou kunnen excuseren blijkt daaruit immers niet, met name niet in het licht van de dominante positie die toekomt aan de keuze “met of zonder cholesterol”.

- Juist deze nevenschikking van echte melk en sojamelk acht de voorzieningenrechter misleidend. Omdat gedaagden hun sojamelk bewust plaatsen naast de echte melk van zuivelproducenten, is sprake van een directe vergelijking van hun eigen sojaproduct met het zuivelproduct en daarmee van vergelijkende reclame.

- Weliswaar kan de vergelijking tussen beide producten inzake het cholesterolgehalte worden aangemerkt als objectief, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aangetoond dat het in melk aanwezige cholesterolgehalte dermate laag is dat het niet als een kenmerkend, representatief element van echte melk kan worden aangemerkt.

- Aangezien cholesterol door de hier als maatstaf te nemen gewone, gemiddeld geïnformeerde en oplettende consument wordt geassocieerd met hart- en vaatziekten, moet de door gedaagden gekozen vergelijking van hun product met een niet kenmerkend, representatief element van melk worden aangemerkt als oneerlijk jegens en schadelijk voor zuivelproducenten. Vanwege het geringe gehalte aan cholesterol kan melk ook niet worden aangemerkt als ongezond, temeer omdat het menselijk lichaam cholesterol nodig heeft. Dat melk op andere gronden ongezond is, is niet gebleken. Ook op dit punt wordt de reclame op televisie en in advertenties voor Alpro soya Natural Fresh aangemerkt als onrechtmatig.

- Het yoghurtproduct Alpro soya Yofu wordt in de reclame-uitingen aangeduid als “toetje”, hetgeen zodanig algemeen is dat van een misleiding van het publiek inzake aard en herkomst van dit product niet kan worden gesproken.

- Wel plaatst ook deze reclame dit sojaproduct als zijnde gezond (impliciet) tegenover ongezonde toetjes. Zeker in Nederland, waar het toetje veelal een zuivelproduct is, zet dit sojaproduct zich daarmee af tegen in ieder geval de yoghurt van zuivelproducenten. Met betrekking tot het cholesterolgehalte en de gezondheid van yoghurt overweegt de voorzieningenrechter hetzelfde als hij hiervoor met betrekking tot melk heeft overwogen.

Lees het vonnis hier.

RB 158

Zonder fratsen, zonder franje

Rechtbank Utrecht, 12 oktober 2006, KG ZA 06-826. Schuitema N.V (C1000). tegen Steengoed de Goedkoopste in Non-food B.V. (Met dank aan Martijn Brinkhuis, Allen & Overy)

Geen objectieve prijsvergelijking, gebruik van de, als merk gedeponeerde, slogans van C1000 is kleinerend en schadelijk.

Grootwinkelbedrijf Schuitema maakt bezwaar tegen het gebruik van de haar C1000 woord- en beeldmerken en slogans in reclames en acties van Steengoed. Steengoed gebruikt de merken en de slogan “nu echt zonder fratsen”  in advertenties en op reclameborden, waarmee zij o.a. stelt dat Steengoed 20 tot 40 % goedkoper is dan de C1000 en verwijst naar de (uit)verkoop van een restpartij van tienduizenden C1000-feestpakketten in haar eigen filialen.

 

De voorzieningengrechter wijst de  vorderingen van Schuitema toe. De vergelijkende reclame van Steengoed is onrechtmatig en Steengoed maakt middels de reclame inbreuk op de merkrechten van Schuitema.

“(...) Niet is concreet aangegeven dat slechts de afgebeelde boodschappen 20%-40% goedkoper zijn dan bij Cl 000. Overigens is de toevoeging op “deze boodschappen” niet opgenomen in de advertenties van 24 augustus 2006 en 7 september 2006. (…)  Daarbij komt dat uit de advertenties van Steengoed niet blijkt of de prijzen van de afgebeelde producten op objectieve wijze (waarbij ook rekening is gehouden met verschillen in verpakking, inhoud of volume) zijn vergeleken niet de producten van Cl 000. Steengoed, op wie ingevolge artikel 6:195 13W de bewijslast rust, heeft naar voorlopig oordeel ook niet aannemelijk gemaakt dat deze prijsvergelijking op objectieve wijze is geschied.”

(…) Deze kassabonnen zijn onvoldoende voor het oordeel dat de prijsvergelijking op een juiste en objectieve wijze heeft plaatsgevonden, nu de producten op deze bonnen onvoldoende zijn gespecificeerd. (…) Overigens ontkent Steengoed ook niet dat een aantal van de prijzen bij Cl000 afwijken van de in de advertenties genoemde prijzen, doch stelt zij niettemin nog steeds 20-40% goedkoper te zijn. Dit neemt echter  wat hiervan ook zij - niet weg dat bij de vergelijking vergelijkbare producten en de juiste prijzen moeten worden gehanteerd.

Steengoed heeft nog gesteld dat C 1000 filiaalhouders er een eigen prijsbeleid op na kunnen houden, waardoor prijzen tussen verschillende C1000 filialen kunnen verschillen. Dit kan mogelijk zo zijn, maar ontheft Steengoed niet van haar verplichting om de prijsvergelijking voor de gemiddelde consument op een objectieve wijze te laten plaatsvinden.”

Over het gebruik van de Fratsen en Franje slogans van C1000 zegt de voorzieningenrechter:

“De voorzieningenrechter stelt voorop dat geen noodzaak bestond voor Steengoed om in zijn advertenties - waarbij het ging om vergelijkende reclame gebruik te maken van zeer gelijkende variaties op de als merk gedeponeerde Schuitema slogans. Het ontbreken van een zodanige noodzaak brengt naar voorlopig oordeel met zich dat er strengere eisen aan het gebruik van (variaties op) een merk in vergelijkende reclame dienen te worden gesteld.

De tekst “nu écht zonder fratsen (c.q. franje)” heeft op zichzelf al een negatieve lading, voorts is deze tekst met name in de hiervoor afgebeelde advertenties in een relatief groot Lettertype en in een opvallend rood kader weergegeven. Dit gebruik van het merk van Schuitema dient naar voorlopig oordeel als kleinerend en schadelijk voor de goede naam van C1000 te worden aangemerkt.

Dat de slogans van Steengoed slechts bedoeld zouden zijn als een “een knipoog” naar de lezer/klanten acht de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk. Evenmin is aannemelijk dat dit voor het publiek duidelijk is. Ook in zoverre dient de vergelijkende reclame van Steengoed jegens Schuitema als onrechtmatig te worden aangemerkt.”

Met betrekking tot de merken van Schuitema stelt de rechter:

”(…) nu reeds onder is geoordeeld dat de door Steengoed gebruikte slogans in strijd zijn met het bepaalde in artikel 6:1 94a BW, onder meer omdat deze kleinerend zijn over de als merk geregistreerde Schuitema slogans, zal thans enkel het gewraakte gebruik van het beeldmerk van C1000 worden beoordeeld.

Het beeldmerk van C 1000 wordt door Steengoed niet gebruikt ter onderscheiding van waren. (…) Naar voorlopig oordeel bestond er voor Steengoed geen noodzaak om voor de door haar gemaakte vergelijkende reclame gebruik te maken van het C1000 beeldmerk. Het maken van vergelijkende reclame is zeer goed mogelijk zonder gebruik te maken van het beeldmerk C1000. Reeds gelet op het feit dat het woordmerk van Cl000 is gebruikt in vergelijkende reclame -die zoals overwogen naar voorlopig oordeel onrechtmatig is - is de voorzieningenrechter van oordeel dat Steengoed door het gebruik van het woordmerk Cl000 ook afbreuk heeft gedaan aan het onderscheidend vennogen en de reputatie van het woordmerk Cl 000.

Ook de vordering strekkende tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten is toewïjsbaar:

“Nu de implementatie-termijn van de Richtlijn 2004/4XiG is verstreken, leidt een richtlijnconforme  interpretatie van art. 237 RV  tot het oordeel dat de werkelijk door Schuitema gemaakte kosten door Steengoed dienen te worden vergoed. Hiervoor is van belang dat Steengoed, hoewel daartoe diverse malen gesommeerd, de inbreuk niet terstond heeft gestaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Schuitema de gestelde kosten voor juridische bijstand ten bedrage van EUR 13.366,00 voldoende heeft onderbouwd, Die kosten zullen als salaris worden toegewezen.

Lees het vonnis hier.

RB 157

Auteursrecht op normen

Dagvaarding, persbericht en petitie op Knooble.nl, in aansluiting op dit eerdere bericht over auteursrecht op (verwezen NEN-) normen.

"Op dit moment worden normalisatienormen in Nederland niet conform de bekendmakingsregels gepubliceerd plus er wordt auteursrecht geclaimd. Dit heeft tot gevolg dat de normen tegen relatief hoge bedragen worden verkocht. De verkoper handelt hierbij volgens het profijtbeginsel (de gebruiker betaalt). Deze situatie werpt een drempel op en is, volgens Knooble, niet conform de wet."

 

 

"Battle on the use of information.

Zijn normalisatienormen waarnaar wordt verwezen in wetten Publiekrechtelijk gezien bindend en zo ja waarom worden ze dan niet gewoon gepubliceerd om vrij beschikbaar te zijn voor eenieder? Knooble spant een zaak aan tegen de staat om helderheid te krijgen over deze vragen.

De juridische status van 'verwezen' normalisatienormen in regelgeving is momenteel onduidelijk. Er is een belang dit helder te krijgen. De onduidelijkheid richt zich hierbij op het al dan niet bindende karakter ervan plus, hieraan gekoppeld, de publicatie van normen en de toepasselijkheid van het auteursrecht. Anders gezegd: "Zijn ze bindend en zo ja waarom worden ze dan niet vrijgegeven voor publicatie?"

Normen zouden vrij van auteursrecht moeten zijn

Op dit moment worden normalisatienormen in Nederland niet conform de bekendmakingsregels gepubliceerd plus er wordt auteursrecht geclaimd. Dit heeft tot gevolg dat de normen tegen relatief hoge bedragen worden verkocht. De verkoper handelt hierbij volgens het profijtbeginsel (de gebruiker betaalt). Deze situatie werpt een drempel op en is, volgens Knooble, niet conform de wet. Het huidige systeem van verwijzing naar normalisatienormen impliceert dat deze de status van algemeen verbindende voorschriften hebben/krijgen. Hiermee dienen de normen conform de bekendmakingsregels te worden vrijgegeven. Ook geldt alsdan dat de normen onder artikel 11 van de Auteurswet vallen. In dit artikel wordt bepaald dat wetten en besluiten van auteursrecht zijn uitgesloten. Hiermee zou de tekst van de normen vrij van auteursrecht moeten zijn en kunnen ze gratis op Internet worden geplaatst.

Verwijzing naar NEN-normen in regelgeving

De NEN in Delft, voorheen het NNI, stelt NEN-normen (NEN staat voor Nederlandse norm) vast en regelt de publicatie ervan. De NEN beheert momenteel circa 633.000 normen. De NEN-normen zijn in beginsel gebaseerd op vrijwillige afspraken tussen diverse belanghebbenden zoals producenten en leveranciers. In de normen zijn de eisen waaraan bijvoorbeeld producten, processen, meet- en keuringsmethoden moeten voldoen vastgelegd. Niet alleen in het Bouwbesluit (wet) wordt gebruik gemaakt van het systeem van verwijzing naar normalisatienormen, ook voor andere wetten geldt dit systeem. De normen zijn via zelfregulering opgesteld. Door het huidige systeem van de verwijzing is er sprake van een koppeling tussen zelfregulering en wetgeving. Dit is feitelijk het koppelen van privaatrecht met publiekrecht. Onduidelijkheid over de status van 'verwezen' normen en de wijze waarop deze beschikbaar zijn raakt nagenoeg ieder bedrijf. Het is dan ook zaak dat hier duidelijkheid over komt.

De rol van de overheid

Volgens de huidige opvattingen acht de overheid de Bekendmakingswet niet van toepassing op 'verwezen' NEN-nomen. Er zijn eerder Kamervragen over gesteld maar dit heeft geen duidelijkheid opgeleverd. Daarentegen verwacht de overheid dat eenieder de wet dient te kennen. Om je aan de wet te kunnen houden moet de overheid de burger in de gelegenheid stellen kennis te kunnen nemen van de wet. Het uitgangspunt hierbij is dan ook dat dergelijke informatie wordt gepubliceerd en dat er geen auteursrecht op wetgeving rust. Het ligt hiermee op de weg van de overheid onduidelijkheid over 'verwezen' normen weg te nemen en de voorwaarden te creëren om de informatie vrij toegankelijk te maken.

De kern van de zaak

De Grondwet kent drie categorieën van bindende voorschiften: wetten, algemene maatregelen van bestuur en algemeen verbindende voorschriften. Indien normalisatienormen (zoals de NEN-normen) worden geacht bindend te zijn dan is er, gebaseerd op de Grondwet slechts één mogelijkheid: NEN-normen dienen te worden gekwalificeerd als algemeen verbindende voorschriften. Dit betekent dat de bekendmaking van deze 'verwezen' normen overeenkomstig de wet dient plaats te vinden en dat er geen auteursrecht van toepassing is. Hiermee zouden de normen beschikbaar komen voor iedereen.

Wat is de situatie indien de overheid bij nader inzien normen niet de status van bindende voorschriften geeft?

Indien 'verwezen' normen om welke reden dan ook niet als bindende voorschrift kunnen worden aangemerkt zijn de normen, tenzij partijen hier privaatrechtelijk andere afspraken over maken, niet bindend. Eenieder die handelt of heeft gehandeld gebaseerd op het gerechtvaardige vertrouwen dat dergelijke normen een onderdeel van de wet zijn, heeft voor de naleving hiervan waarschijnlijk kosten gemaakt die hij of zij zonder deze 'verplichting' niet zou hebben gemaakt. Het laat zich raden wat de status 'niet bindend' teweeg zou brengen. Dit zou de weg openen om de kosten die hiervoor ten onrechte zijn gemaakt te verhalen op de veroorzaker(s) van de onduidelijkheid. Dit is waarschijnlijk niet de bedoeling van de wetgever.

Waarom wil Knooble normen vrij beschikbaar maken?

De missie van Knooble is 'het wereldwijd toegankelijk en bruikbaar maken van informatie over en ten behoeve van bouwprojecten'. Een belangrijk onderdeel hiervan is informatie over wetten, regels, voorschiften enzovoorts. Indien het mogelijk is normen beter of volledig te ontsluiten, als het even kan gratis, dan doet Knooble in haar ogen iets goeds. De wijze waarop normen op dit moment beschikbaar zijn en kunnen worden gebruikt is voor velen frustrerend. Er moet fors voor worden betaald plus er zijn, gebaseerd op het auteursrecht, diverse regels voor het gebruik. In de ideale situatie zijn de normen voor eenieder vrij toegankelijk. Knooble wil haar best doen dit, binnen de mogelijkheden van de wet, te bewerkstelligen.

Wat kunt u doen?

Door de petitie te 'tekenen' draagt u uw steentje bij aan het streven de situatie te verbeteren.

Eenieder heeft er baat bij

Alhoewel veel partijen zich keer op keer afvragen waarom (NEN) normen zoveel geld kosten, heeft niemand tot op heden het systeem echt onder de loep genomen. Wat zou er niet mooier zijn dan dat iedereen gewoon even op Internet kan kijken naar de norm voor het te leveren werk! Zo moet informatie beschikbaar zijn. De juridische aspecten van deze zaak zijn complex, de inzet is echter helder: eenieder in het bedrijfsleven zal er baat bij hebben als er duidelijk is over de toepasselijkheid van normen, de juridische status en … eenieder heeft er baat bij als normen vrij beschikbaar komen via internet.

Wij rekenen op uw steun!

RB 118

Televisielandschap

Kamerstuk 29692, nr. 15. 2e Kamer. Politiek en media; Brief minister Van der Hoeven (OCW) met reactie op rapporten reclameontwikkelingen.

De kabinetsreactie (…)  geeft een integrale  visie op het mediabeleid. In de kabinetsreactie is  melding gemaakt van een aantal onderzoeken die inmiddels zijn afgerond.

 

- Het rapport De toekomst van reclame in een digitaal televisielandschap  uitgebracht door TNO. Dit rapport geeft inzicht in de  gevolgen van de technologische veranderingen in de audiovisuele  mediasector voor de reclame-inkomsten voor de commerciële en  publieke omroep in Nederland.

- Het rapport Regulering Nederlandse commerciële televisiemarkt uitgebracht  door het Commissariaat voor de Media.   Beoogd wordt om een gelijk  speelveld tussen commerciële omroepen die actief zijn op de Nederlandse  markt te creëren, ongeacht het land van waaruit zij uitzenden.5  Het Commissariaat doet concrete aanbevelingen voor een gelijk speelveld  voor de commerciële partijen.

- Het rapport Quickscan crossmediale publiek-private samenwerking  publieke omroepinstellingen en uitgevers uitgebracht door het  Centrum voor Intellectueel Eigendomsrecht (CIER). In dit rapport  staan de uitkomsten van onderzoek naar samenwerkingsmogelijkheden  van publieke en commerciële omroepen met andere private  partijen.

Lees de brief hier.

RB 117

Internationale Reclame Code

“This is the eighth revision of the ICC International Code of Advertising Practice, which was first issued in 1937. The new consolidated Code extends the scope from advertising to marketing communications and brings together guidelines for a range of marketing practices from advertising on the Internet and via SMS to the do's and don'ts of communicating with children.”

Lees hier meer (International Chamber of Commerce).

 

RB 116

Af van de regelzucht

“We willen af van de regelzucht uit Brussel en Nederland." Met deze boodschap kwam kamerlid Martijn van Dam van de Partij van de Arbeid (PvdA). (…) De uitspraken van de PvdA-mediawoordvoerder zijn opmerkelijk. Van de regels die het PvdA-kamerlid wil laten schrappen, noemde Van Dam alleen dat een verbod op zeer misleidende reclame (korte flitsreclame) moest blijven.

Met het betoog van Van Dam om in feite nagenoeg alle rechten en plichten uit de richtlijn TV zonder grenzen af te schaffen, raakt Van Dam de wortel van het de Europese regelgeving die voor commerciële zenders bepalingen [kent] over o.a. (…) maximumreclamevolumes, een verbod op reclame bij nieuwsuitzendingen korter dan 30 minuten, het tabaksreclameverbod, het medicijnenreclameverbod alsmede richtlijnen voor alcoholreclame en minderjarigen”

Lees hier meer (Dutchmedia).

RB 156

Gevelvermeldingen

Rechtbank Amsterdam, 14 september 2006, KG 06-1228 P. KIA Motor Corporation c.s. tegen Egbers KIA B.V. (Met dank aan Davien Dirkzwager, Houthoff Buruma)

Uitspraak over voormalige KIA-dealer die de KIA-merken nog steeds vermeldt op de gevel en op internet.

Egbers was van 2002 tot 2004 officieel KIA dealer. Egbers is na het  beëindigen van de dealerrelatie  KIA auto's blijven verhandelen.  Egbers heeft het merk en logo van KIA op de gevel staan en vermeldt  het woordmerk van KIA in rode letters op internet. KIA spreekt Egbers aan op merkinbreuk. Egbers verweert zich met het feit dat het gebouw in  het bezit is van een ander, namelijk Egbers Holding en dat deze Holding  verantwoordelijk is voor de gevelvermeldingen.

Daarnaast is een andere  B.V. verantwoordelijk voor de website, namelijk: Egbers Auto’s B.V.. De  voorzieningenrechter oordeelt echter dat Egbers de enige in de Egbers- groep is, die belang heeft bij het plaatsen van de merken KIA op de  gevel en website, aangezien de andere organisaties niet in KIA handelen.  Het plaatsen van het logo en (woord)merk op resp. de gevel en het internet  kan aan Egbers worden toegerekend. Egbers wordt veroordeeld om de  reclame van de gevel te verwijderen of in elk geval zo aan te passen dat  niet langer de suggestie wordt gewekt dat zij een KIA-dealer of erkend  reparateur van KIA is.

Egbers heeft als handelaar in KIA-auto's belang bij  het gebruik van het woord KIA op internet. Het staat haar daarbij echter  niet vrij gebruik te maken van rode hoofdletters, de kleur waarmee KIA  Motor haar merk aanduidt.  Hoewel Egbers geen gebruik maakt van enig beeldmerk van KIA, wekt zij  door deze wijze van gebruik van het woordmerk de indruk dat zij nog  steeds een commerciële band heeft met KIA en daarmee maakt zij inbreuk  op het merkrecht van KIA Motor.

Nu Egbers niet meer tot het KIA- netwerk behoort, kan zij aan haar klanten niet meer zelf de KIA garantie  afgeven. Ook mag zij zich niet tegenover klanten de indruk wekken dat zij  zelf reparaties of onderhoud kan verrichten onder de KIA-garantie.

Lees het vonnis hier.

RB 115

Nu al

Het ANP bericht dat “Reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen zich in advertenties nu al moeten houden aan de code reisaanbiedingen, hoewel die officieel pas op 1 april 2007 van kracht wordt. Dat blijkt uit een uitspraak van de Reclame Code Commissie in een zaak die de Consumentenbond had aangespannen tegen Transavia. (…)Transavia is het niet eens met dit oordeel en tekent bij de Reclame Code Commissie hoger beroep aan.”

RB 114

Versoepelen

Dutchmedia bericht dat  “CDA-mediaminister Maria van der Hoeven de reclameregels voor de commerciële Nederlandse tv-zenders wil versoepelen. Dit blijkt uit een schrijven die Van der Hoeven aan de volksvertegenwoordiging heeft verstuurd. De nummer drie van het CDA spreekt over het toestaan van 'splitscreenreclame', het verkorten van de minimumduur van reclame (thans 90 seconden) en het versoepelen van regelgeving omtrent het mogen onderbreken van films (thans elke 45 minuten). en het verruimen van mogelijkheden voor sponsorvermeldingen.

(…) De OCW-minister meldt samen met de minister van Economische Zaken een onderzoek te hebben gedaan dat binnenkort geopenbaard zal worden onder de naam 'Televisiereclame en technologische veranderingen'.”

Lees hier meer.

 

RB 113

De wederzijdse vorderingen

"Energiebedrijven Essent en Oxxio hebben hun ruzie over reclame-uitingen bijgelegd. Ze stonden vorige maand voor de rechter omdat Oxxio zich op zijn website ten onrechte zou profileren als het goedkoopste energiebedrijf met de beste service. Oxxio beschuldigde daarop Essent ook van onjuist reclame te voeren. De wederzijdse vorderingen zijn nu ingetrokken."

Lees hier meer (Reclamewereld).

RB 155

De gewraakte radiospot

College Van  Beroep, 20 juli 2006, in het appel van MSD BV tegen de beslissing van de Reclame Code Commissie d.d. 20 juli 2006 in dossier 06.0242. (Met dank aan Klaas Bisschop, Lovells

Aardige uitspraak van het CvB  Ingegaan wordt op de vraag wanneer sprake is van reclame en op de vraag of indien in een radiospot wordt verwezen naar een website, beide bij de beoordeling van de zaak tezamen mogen worden genomen.

"In haar beoordeling van de in eerste aanleg ingediende klacht tegen de radiospot heeft de Commissie ambtshalve de website www.hoofdpiin.nl betrokken. Het College stelt onder verwijzing naar [eerdere]  uitspraken voorop dat de gewraakte radiospot met bijbehorende tag-on enerzijds en de website www.hoofdpijn.nl anderzijds onafhankelijk van elkaar bestaande uitingen zijn en als zodanig afzonderlijk van elkaar dienen te worden beoordeeld. Dat in de radiospot wordt verwezen naar de website leidt in beginsel en behoudens bijzondere omstandigheden waarvan te dezen niet is gebleken, niet tot het oordeel dat de website daarvan deel uitmaakt of anderszins bij de beoordeling van de radiospot moet worden betrokken.

De Commissie heeft vervolgens geoordeeld dat de radiospot door de verwijzing naar de website een reclame-uiting is voor producten van MSD.

De radiospot wijst op de problemen die hoofdpijn en migraine met zich mee kunnen brengen en op de mogelijkheid hoofdpijn of migraine te behandelen. In dit kader worden belangstellenden aangespoord de website www.hoofdpijn.nl te raadplegen. Nu in de radiospot niet over een geneesmiddel van MSD wordt gesproken, noch duidelijk wordt verwezen naar een geneesmiddel van MSD -de enkele verwijzing naar de website www.hoofdpijn.nl biedt in dat opzicht onvoldoende grond- kan -anders dan de Commissie heeft gedaan- niet worden geoordeeld dat de radiospot een reclame-uiting is voor goederen (door de Commissie aangeduid als “producten”) van MSD.

Het College vernietigt de beslissing van de Commissie, voor zover daartegen beroep is ingesteld."

Lees de beslissing hier.

RB 154

Consumptiegoederen

HvJ EG, 19 september 2006, zaak C-356/04. Prejudiciële antwoorden m.b.t. de Belgische zaak Lidl Belgium GmbH & Co KG tegen Etablissementen Franz Colruyt N.V.

Prijspeilvergelijking. Misleidende  & vergelijkende reclame. Prijsvergelijkingen moeten objectief en controleerbaar zijn, maar niet alle feiten en vergelijkingen hoeven volledig  en direct vermeld te worden in de desbetreffend reclame-uiting.

Lidl  en Colruyt exploiteren beide in België een warenhuisketen die hoofdzakelijk actief is in de detailhandel in gangbare consumptiegoederen. Supermarkten, kort gezegd. In  2004 heeft Colruyt haar prijzen in verschillende vormen van reclame (mailings, reclame op kassabonnen, folders) vergeleken met die van andere supermarkten. Lidl maakte her bezwaar tegen en in de procedure tussen Lidl en Colruyt  heeft de Brussels Rechtbank van Koophandel het Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld.

Het Hof overweegt dat in het hoofdgeding twee verschillende wijzen van vergelijkende reclame aan de orde zijn.

In het eerste geval wordt het algemene niveau van de door concurrerende warenhuisketens toegepaste prijzen ter zake van hun assortimenten vergelijkbare producten vergeleken en wordt daaruit afgeleid hoeveel de consument jaarlijks kan besparen naargelang hij dagelijks zijn aankopen van gangbare consumptiegoederen bij de ene keten en niet bij de andere doet.

Bij de tweede wijze van reclame verklaart de adverteerder dat al zijn producten met een rood etiket met de vermelding „BASIC” door hem worden verkocht tegen de laagste prijs in België.

Het Hof bespreekt de vragen redelijk uitgebreid en komt vervolgens tot de conclusie dat: 

1)      De in artikel 3 bis, lid 1, sub b, van de richtlijn 84/450, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55, inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame gestelde voorwaarde voor geoorloofdheid van vergelijkende reclame moet aldus worden uitgelegd, dat zij er niet aan in de weg staat dat vergelijkende reclame collectief ziet op assortimenten van gangbare consumptiegoederen die door twee concurrerende warenhuisketens worden verkocht, voor zover die assortimenten aan beide zijden bestaan uit individuele producten die, per paar bezien, individueel voldoen aan het in die bepaling gestelde vereiste van vergelijkbaarheid.

2)      Artikel 3 bis, lid 1, sub c, van richtlijn 84/450, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55, moet aldus worden uitgelegd, dat het in deze bepaling gestelde vereiste dat de reclame de kenmerken van de betrokken goederen „op objectieve wijze [...] met elkaar vergelijkt”, bij vergelijking van de prijzen van een assortiment van vergelijkbare gangbare consumptiegoederen die door concurrerende warenhuisketens worden verkocht of van het algemene niveau van de door deze ketens toegepaste prijzen ter zake van het assortiment van de vergelijkbare producten die zij verkopen, niet betekent dat de vergeleken producten en prijzen, te weten zowel die van de adverteerder als die van al zijn bij de vergelijking betrokken concurrenten, uitdrukkelijk en uitputtend in de reclameboodschap worden genoemd.

3)      Artikel 3 bis, lid 1, sub c, van richtlijn 84/450, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55, moet aldus worden uitgelegd, dat in de zin van deze bepaling worden beschouwd als „controleerbare” kenmerken van goederen die door twee concurrerende warenhuisketens worden verkocht:

– de prijzen van die goederen;

–het algemene niveau van de prijzen die respectievelijk door die warenhuisketens worden toegepast ter zake van hun assortiment vergelijkbare producten en het bedrag dat de consument die dergelijke producten bij de ene keten en niet bij de anderen koopt, kan besparen, voor zover de betrokken goederen daadwerkelijk deel uitmaken van het assortiment vergelijkbare producten aan de hand waarvan het genoemde algemene prijsniveau is bepaald.

4)      Artikel 3 bis, lid 1, sub c, van richtlijn 84/450, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een kenmerk in vergelijkende reclame wordt vermeld zonder dat de vergelijkingsbestanddelen waarop de vermelding van dit kenmerk berust, in deze reclame zijn genoemd, dat kenmerk slechts voldoet aan het in die bepaling gestelde vereiste van controleerbaarheid indien de adverteerder met name voor de geadresseerden van die boodschap te kennen geeft waar en hoe deze gemakkelijk kennis kunnen nemen van die bestanddelen om de juistheid daarvan en de juistheid van het betrokken kenmerk te controleren of, indien zij niet over de daartoe vereiste kennis van zaken beschikken, te laten controleren.

5)      Artikel 3 bis, lid 1, sub a, van richtlijn 84/450, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55, moet aldus worden uitgelegd, dat vergelijkende reclame die vermeldt dat het algemene prijsniveau van de adverteerder lager is dan dat van zijn voornaamste concurrenten, terwijl enkel een staal producten is vergeleken, misleidend kan zijn wanneer:

–uit de reclameboodschap niet blijkt dat slechts een staal producten en niet alle producten van de adverteerder zijn vergeleken;

–de reclameboodschap de bestanddelen van de vergelijking niet identificeert of de geadresseerde niet inlicht over de informatiebron waar die identificatie toegankelijk is, of

– in de reclameboodschap een collectieve verwijzing is opgenomen naar de mate van de besparingen die kunnen worden gerealiseerd door de consument die zijn aankopen bij de adverteerder en niet bij zijn concurrenten doet, zonder individualisering van het algemene niveau van de respectievelijk door elk van die concurrenten toegepaste prijzen en van het bedrag van de besparingen die kunnen worden verwezenlijkt door bij de adverteerder en niet bij elk van deze concurrenten te kopen.

Lees het arrest hier.