Garanties

RB 3042

Misleiding nu product, ondanks 'testmogelijkheid', alleen ongeopend geretourneerd mag worden

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 30 okt 2017, RB 3042; dossiernr. 2017/00660 (Garcinia Cambogia-capsules), http://www.reclameboek.nl/artikelen/misleiding-nu-product-ondanks-testmogelijkheid-alleen-ongeopend-geretourneerd-mag-worden
Garcinia Cambogia Capsules

RCC 30 oktober 2017, RB 3042; dossiernr. 2017/00660 (Garcinia Cambogia-capsules). Aanbeveling. Retour. Het betreft uitingen van adverteerder voor Garcinia Cambogia capsules op Facebook (facebook.com/Afslankringen) en op haar website (http://www.afslankringen.nl/garcinia-capsules.html). De klacht: hoewel klaagster sceptisch was over het beloofde snelle en goede resultaat van de Garcinia Cambogia pillen, heeft zij toch het product besteld omdat wordt geadverteerd met ‘niet goed geld terug’. Na twee weken heeft klaagster de pillen aangetekend retour gezonden aan adverteerder, omdat zij tot de conclusie was gekomen dat het product niets voor haar deed. Haar verzoek om gebruik te maken van de ‘niet goed geld terug actie’ werd echter afgewezen, omdat zij het product geopend had. Klaagster vraagt zich af hoe zij een product kan proberen als de verpakking niet geopend mag worden. Adverteerder verwijst naar kleine lettertjes, “maar dit strookt totaal niet met de reclame-uitingen” die klaagster daarom misleidend vindt.

RB 2855

Gegarandeerde kwaliteit Samsung Galaxy S7 edge is misleiding

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 28 mrt 2017, RB 2855; Dossiernr: 2017/00165 (Samsung Galaxy S7 edge), http://www.reclameboek.nl/artikelen/gegarandeerde-kwaliteit-samsung-galaxy-s7-edge-is-misleiding

RCC 28 maart 2017, RB 2855; dossiernr. 2017/00165 en dossiernr. 2017/00165/A (Samsung Galaxy S7 edge). Aanbeveling. Misleiding voornaamste kenmerken product. Uit dossiernr. 2017/00165: Uiting: Het betreft de televisiecommercial die aanvangt met de in beeld getoonde tekst: “Gegarandeerde kwaliteit van Samsung”. Vervolgens is te zien dat Samsung telefoons in een laboratoriumomgeving worden getest door de telefoons te laten vallen, ze nat te spatten, bij een temperatuur van – 200C aan te zetten en een telefoon bij herhaling licht door te buigen. Tijdens deze laatste handeling verschijnt kort de tekst in beeld: “Getest met de Galaxy S7 edge onder laboratoriumomstandigheden”. De test wordt besloten met een visuele controle van de telefoons door een laboratoriummedewerker. Aan het eind van de commercial verschijnt in beeld: “Innovation is our legacy. Quality is our priority. Samsung.” Klacht: In de commercial wordt de kwetsbaarheid van het telefoontoestel getest door toestellen van meer dat een meter hoogte te laten vallen. De toestellen doorstaan de test zonder problemen. Klaagster heeft echter ervaren dat er na een lichte tik van het toestel tegen een glazen bureaublad een scheurtje in het glas zit. Deze kwetsbaarheid blijkt volgens klaagster ook uit diverse reviews. Klaagster vindt daarom het beeld dat Samsung in de reclame schetst misleidend en in strijd met artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code (NRC).

RB 2842

Schending van in een digitale advertentiecampagne gegarandeerde exclusiviteit rechtvaardigt ontbinding

Rechtspraak (NL/EU) 25 apr 2017, RB 2842; ECLI:NL:GHARL:2017:3605 (aannemingsbedrijf tegen Proximedia hodn BeUp), http://www.reclameboek.nl/artikelen/schending-van-in-een-digitale-advertentiecampagne-gegarandeerde-exclusiviteit-rechtvaardigt-ontbindi

Hof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2017, IT 2271; RB 2842; ECLI:NL:GHARL:2017:3605 (aannemingsbedrijf tegen Proximedia hodn BeUp) Schending van een in een digitale advertentiecampagne gegarandeerde exclusiviteit door Proximedia (BeUp). Het hof heeft [appellant] opgedragen te bewijzen dat BeUp hem heeft gegarandeerd dat (1) [appellant] via gesponsorde websites boven de reguliere websites te vinden zou zijn, (2) dat sprake zou zijn van exclusiviteit, omdat slechts één bedrijf per branche met deze digitale advertenties zou worden ondersteund. De garantie is na bewijsvoering komen vast te staan. De schending ervan is niet gemotiveerd bestreden en rechtvaardigt de ontbinding van de overeenkomst. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 7 oktober 2014 en doet opnieuw recht en wijst de vorderingen van BeUp af;

RB 2749

Aanbeveling vanwege annulering reis ondanks vertrekgarantie

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 3 aug 2016, RB 2749; Dossiernr: 2016/00505 (SRC Vertrekgarantie), http://www.reclameboek.nl/artikelen/aanbeveling-vanwege-annulering-reis-ondanks-vertrekgarantie

Vz. RCC 3 augustus 2016, RB 2749; Dossiernr: 2016/00505 (vertrekgarantie – SRC) Toewijzing. Reizen. Garantie. Het betreft: 1)  de volgende mededeling die klaagster zag toen zij googelde met de zoekopdracht ‘reizen met vertrekgarantie src’: “Vertrekgarantie Profiteer van vroegtijdige vertrekgarantie – SRC Cultuurvakanties  www.src-reizen.nl > vertrekgarantie Wilt u zeker weten dat uw reis doorgaat? Zoek dan uw ideale vakantie in ons ruime aanbod reizen met vertrekgarantie”; (…). Klacht: Klaagster heeft een reis met vertrekgarantie geboekt bij verweerder. Verweerder heeft haar telefonisch meegedeeld dat de reis niet kan doorgaan omdat er te veel annuleringen zijn geweest en daardoor het minimum van tien deelnemers niet wordt gehaald. Klaagster voelt zich misleid omdat zij een vertrekgarantie had en acht de compensatie die verweerder aanbood ontoereikend.

 

RB 2723

Jumbo moet winkelopschrift "allergoedkoopste van Nunspeet" aanpassen

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 20 apr 2016, RB 2723; dossiernr: 2015/01085 (Allergoedkoopste in Nunspeet), http://www.reclameboek.nl/artikelen/jumbo-moet-winkelopschrift-allergoedkoopste-van-nunspeet-aanpassen

CvB 20 april 2016, RB 2723; Dossiernr: 2015/01085 (Allergoedkoopste Jumbo)
Het betreft een reclame-uiting van Jumbo waarin staat: “Welkom bij de allergoedkoopste van …… (plaatsnaam)”. Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht een foto overgelegd van een aan de buitenkant van een Jumbo filiaal zichtbare uiting waarin staat: “Welkom bij de allergoedkoopste van Nunspeet”. Onder deze mededeling staat in kleinere letters: “Vraag binnen naar de spelregels of kijk op www.jumbosupermarkten.nl/laagsteprijsgarantie”.

De Commissie heeft de klacht ruimer opgevat dan deze was bedoeld. Er bestaat ook geen aanleiding om de klacht zo uit te leggen dat deze ziet op alle vestigingsplaatsen van Jumbo. De uiting is immers lokaal bepaald nu deze is gekoppeld aan een specifieke plaatsnaam. Deze grief is gegrond. Dit laatste is de kern van de klacht. Klager vat “de allergoedkoopste” op in die zin dat Jumbo goedkoper is dan (alle) andere supermarkten. Volgens (het verweer van) Jumbo betekent “de allergoedkoopste”: nergens goedkoper, hetgeen volgens Jumbo komt door de laagsteprijsgarantie, die ervoor zorgt dat de consument de laagste prijs betaalt.

 

RB 2698

Garanties consumptiegoederen ziet ook op handelaar die in naam van particulier koopt

EU 7 apr 2016, RB 2698; ECLI:EU:C:2016:217 (Wathelet tegen Garage Bietheres), http://www.reclameboek.nl/artikelen/garanties-consumptiegoederen-ziet-ook-op-handelaar-die-in-naam-van-particulier-koopt

Conclusie AG 7 april 2016, IEFbe 1732; RB 2698; ECLI:EU:C:2016:217 (Wathelet tegen Garage Bietheres)
Prejudiciële vragen gesteld door Cour d’appel de Liège, België. Het lijdt geen twijfel dat een consument die een consumptiegoed koopt van een andere particulier, niet de bescherming geniet van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen(2). Geldt dat echter ook wanneer een handelaar bij de verkoop handelt in naam en voor rekening van een particulier en zich aan de consument als de verkoper voorstelt? Dat is de vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is. Conclusie AG:

Artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen moet aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op de handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt, los van het feit of hij voor zijn bemiddeling wordt vergoed, voor zover de tussenpersoon de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt.

RB 2662

Vragen gesteld aan HvJ EU over verboden piramidespel en de financiële belofte naar bestaande leden

Hof van beroep Antwerpen 3 december 2015, RB 2662; C-667/15 (Loterie Nationale – Nationale Loterij)
Verwijzing HvJ EU. Kansspel. Handelspraktijk. Verzoekster organiseert onder meer sinds 1978 het ‘lotto’ spel met twee maal per week een trekking. Zij heeft de organisatoren van het Lucky4All (L4A) spel gedaagd tot staking van haar activiteiten wegens strijdigheid met eerlijke marktpraktijken (het spel maakt ook gebruik van gekleurde balletjes en maakt voor promotie gebruik van misleidende slagzinnen); L4A zou een verboden piramidespel zijn.

Verzoekster is houdster van twee Benelux-beeldmerkinschrijvingen (sinds 1998 ‘Lotto’ en sinds 2005 ‘Nationale Loterij’ ‘Loterie Nationale’). De oprichter van L4A heeft ook een beeldmerkinschrijving sinds 2012. Hoe het L4A-spel werkt wordt uitgebreid beschreven in het vonnis van de Rb Antwerpen, pagina 7 – 11. De Rb Antwerpen wijst verzoeksters stakingsvordering toe, maar verzoekster gaat in beroep omdat de Rb het verwijt dat het om een piramidespel gaat als ongegrond afdoet. De Rb oordeelde dat bij het L4A-spel de financiering van de vergoeding die wordt uitgekeerd aan de consument die een nieuwe speler aanbrengt (één van de voorwaarden om van een piramidespel te kunnen spreken) niet afhangt van de bijdrage van de nieuwe deelnemer. Dit zou een verkeerde lezing inhouden van het arrest van het HvJEU in de zaak C-515/12. Verzoekster blijft ook bij haar eis dat het om een misleidende marktpraktijk gaat.

De verwijzende BEL rechter (Hof van Beroep Antwerpen) sluit zich grotendeels aan bij het vonnis van de lagere rechter. Wat rest is verzoeksters stelling dat het om een piramidespel gaat. Partijen zijn het niet eens over de interpretatie van het arrest in zaak C-515/12. Verweerster stelt dat het HvJEU een restrictieve interpretatie van het begrip ‘piramidespel’ heeft gegeven, verzoekster stelt dat de RL oneerlijke handelspraktijken beoogt consumenten een hoog niveau van bescherming te geven. De verwijzende rechter gaat vervolgens na of het L4A-spel voldoet aan de door het HvJEU gestelde constitutieve voorwaarden. De Rb oordeelde dat niet is voldaan aan de (derde) voorwaarde dat er een rechtstreekse band moet bestaan tussen de door de nieuwe leden verrichte betalingen en de door de bestaande leden ontvangen vergoedingen. De verwijzende rechter besluit om daarover de volgende vraag aan het HvJEU voor te leggen:

“Is het voor de toepassing van punt 14 van bijlage I van [OHP-Richtlijn 2005/29 vereist dat van een verboden piramidespel slechts sprake is indien de verwezenlijking van de financiële belofte naar bestaande leden:
• eerder of in hoofdzaak afhangt van de rechtstreekse doorbetaling van de bijdragen van de nieuwe leden ("directe band”), dan wel
• dat het volstaat dat de verwezenlijking van die financiële belofte voor bestaande leden eerder of hoofdzakelijk afhangt van een indirecte betaling door de bijdragen van bestaande leden, i.e. zonder dat bestaande leden eerder of hoofdzakelijk hun vergoeding verkrijgen uit hun eigen verkoop of hun eigen verbruik van goederen of diensten maar voor de verwezenlijking van hun financiële belofte eerder of hoofdzakelijk afhangen van de toetreding en bijdragen van nieuwe leden ("indirecte band")?”
RB 2440

Vraag aan HvJ: Is nationaal verbod voor voedingssupplement met aminozuren in strijd met levensmiddelenwetgeving?

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 27 mei 2015, RB 2440; C-282/15 (Queisser Pharma)
Voedsel. Voedingssupplement. Verzoekster is een in DUI gevestigde onderneming die onder meer voedingssupplementen produceert. Eén daarvan bevat het aminozuur L-histidine. Voor dit supplement is voor vervaardiging en in de handel brengen een ontheffing nodig. Zij vraagt deze op 27-03-2006 aan bij verweerder (Bundesamt für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit) met vermelding dat naar haar idee geen ontheffingsaanvraag nodig zou zijn omdat het gebruik van L-histidine geen enkel gevaar voor de gezondheid oplevert, maar dat zij de aanvraag indient op verzoek van de inspectie. Bij beschikking van 02-11-2012 wordt haar verzoek afgewezen.

Verzoekster zou niet aan alle voorwaarden voldoen: er bestaat volgens verweerder wel een gezondheidsrisico. Verzoekster maakt op 07-12-2012 bezwaar (met bewijsstukken dat het ingenomen ijzer veilig is voor de gezondheid), maar dat wordt 20-02-2013 afgewezen. Verzoekster gaat dan in beroep bij de verwijzende rechter. Zij vraagt een verklaring voor recht dat geen ontheffing nodig is en dat het stellen van een dergelijke eis in strijd is met EURrecht. Vo. 178/2002 betreft een uitputtende regeling, (afwijking niet toegestaan) en er is in casu geen sprake van aangetoonde onveiligheid van levensmiddelen. Verweerder verwijst ook naar RL 2002/46 en stelt dat de DUI regeling in het leven is geroepen omdat niet was aangetoond dat toevoeging van aminozuren aan levensmiddelen geen gevaar voor de volksgezondheid oplevert. Maar zij verleent verzoekster op 17-02-2015 alsnog een ontheffing voor drie jaar.

De verwijzende DUI rechter (Verwaltungsgericht Braunschweig) moet beslist worden over het verzoek om een declaratoire uitspraak, waarvoor hij verduidelijking nodig heeft van het HvJEU. Uit de DUI regelgeving is duidelijk dat de gelijkstelling van het aminozuur L-histidine met levenmiddelenadditieven het verkrijgen van een ontheffing noodzakelijk maakt. Vervolgens moet verweerder bezien of is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffing. De verwijzende rechter twijfelt of de daartoe gestelde eisen in overeenstemming met EURrecht zijn. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1. Moeten de artikelen 34, 35 en 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 14 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling waarbij de vervaardiging of verwerking respectievelijk het in de handel brengen van een voedingssupplement met aminozuren (in dit geval L-histidine) wordt verboden voor zover daarvoor niet onder bepaalde nadere voorwaarden een tijdelijke ontheffing is verleend door de bevoegde nationale autoriteit, die ter zake over een discretionaire bevoegdheid beschikt?
2. Volgt uit de opzet van de artikelen 14, 6, 7, 53 en 55 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, dat een nationaal verbod op een bepaald levensmiddel of voedselingrediënt alleen onder de aldaar genoemde voorwaarden kan worden ingesteld, en verzet die opzet zich tegen een nationale wettelijke regeling als bedoeld in de eerste vraag?
3. Moet artikel 8 van verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als bedoeld in de eerste vraag?