Afbeeldingen

RB 2895

Misleidende verpakking: Bananen Musa Bajoo plant blijken niet eetbaar

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 23 mei 2017, RB 2895; dossiernr. 2017/00223 (Musa Bajoo bananen), http://www.reclameboek.nl/artikelen/misleidende-verpakking-bananen-musa-bajoo-plant-blijken-niet-eetbaar

RCC 23 mei 2017, dossiernr. 2017/00223, RB 2895; (Musa Bajoo bananen) Misleiding. Uiting: Het betreft de verpakking van de Musa basjoo plant, meer in het bijzonder de daarop staande afbeelding van bananen.

Klacht: Klager heeft op 23 maart 2017 (in Macedonië) een door adverteerder geproduceerde bananenplant gekocht. Op de verpakking van de plant staat een afbeelding van grote, eetbare bananen. Bij het zoeken op de botanische naam van de plant, Musa basjoo, blijkt echter dat het gaat om niet eetbare bananen of bananen vol met zwarte zaden. 

RB 2464

Smartphonegebruik tijdens autorijden onverantwoord voor multifocale glazen

Vz. RCC 10 juni 2015, RB 2464; dossiernr. 2015/00557 (Eyewish placemat)
Aanbeveling. Gezondheid. Maatschappelijk (on)verantwoord. De uiting: Het betreft een “placemat” die adverteerder gebruikt bij het aanprijzen van multifocale glazen en de website www.eyewish.nl. Op de placemat wordt het kwaliteitsverschil in multifocale glazen zichtbaar gemaakt. Dit gebeurt door middel van een vanuit het gezichtspunt van een autobestuurder weergegeven (getekende) verkeerssituatie waarbij de bestuurder een smart­phone in zijn rechterhand vasthoudt naast het stuur, terwijl hij op een autoweg rijdt met een dubbel doorgetrokken streep. Ook op de website van adverteerder werden deze afbeeldingen getoond. De klacht: Klager stelt, samengevat, dat in de uitingen (placemat en website) een met artikel 61A RVV 1990 verboden handeling wordt getoond. Tevens wordt hiermee gehandeld in strijd met de huidige algemene en brede maatschappelijke opvatting met betrekking tot het niet handsfree bellen. Klager maakt verder melding van de wijze waarop adverteerder in de winkel op zijn klacht heeft gereageerd, waarbij sprake was van irritaties.

Het oordeel van de voorzitter: 1)  De voorzitter constateert dat de klacht tevens is gericht tegen de brillen- en glazenfabrikant Rodenstock. Bij e-mail van 27 mei 2015 is reeds namens de voorzitter aan klager meegedeeld dat Rodenstock niet in de onderhavige procedure als verweerder zal worden betrokken. In aanvulling hierop deelt de voorzitter mee dat op basis van de overgelegde uitingen geen aanleiding bestaat Rodenstock mede als adverteerder aan te merken.

2)  Op de placemat wordt het kwaliteitsverschil in multifocale glazen zichtbaar gemaakt door middel van afbeeldingen waarop telkens is te zien dat de bestuurder van een auto tijdens het rijden op een autoweg een smartphone in zijn rechterhand vasthoudt met de kennelijke bedoeling tijdens het rijden naar het scherm van dat toestel te kijken. Niet in geschil is dat op de placemat aldus een situatie wordt getoond die verboden is op grond van artikel 61A RVV 1990. Dit artikel verbiedt immers tijdens het rijden met een motorvoertuig een mobiele telefoon vast te houden. Bovendien wordt een zeer verkeersonveilige situatie getoond nu de bestuurder op een weg lijkt te rijden waar een maximale snelheid van 100 km/h geldt, en de afscheiding met de andere rijbaan enkel door middel van een dubbel doorgetrokken streep wordt gevormd. Ten aanzien van de website is blijkbaar sprake van een identieke uiting.

3)  De voorzitter acht de uitingen op grond van het voorgaande in strijd met artikel 3 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). De uiting wekt onmiskenbaar de suggestie dat men dankzij de aangeprezen glazen tijdens het rijden op een autoweg zowel goed naar de weg kan kijken als goed het scherm van een smartphone kan lezen. De multifocale glazen worden specifiek voor deze situatie aangeprezen. De uiting zet daarmee aan tot gedrag in strijd met de wet (openbare orde) alsmede in strijd met de verkeersveiligheid (algemeen belang).

4)  De voorzitter is van oordeel dat adverteerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar reclame-uitingen voortaan andere afbeeldingen zal gebruiken. Adverteerder legt een kopie van de aangepaste placemat over waarin niet langer naar een verkeerssituatie wordt verwezen. Voorts deelt adverteerder mee dat ook haar website dienovereenkomstig zal worden aangepast. Om die reden zal de voorzitter gebruik maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 12 lid 5 van het Reglement van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep en een aanbeveling achterwege laten.

5)  Voor zover klager verwijst naar de wijze waarop in de winkel op zijn klacht is gereageerd, merkt de voorzitter op dat dit aspect buiten het kader van de klacht over een reclame-uiting valt en om die reden niet door de voorzitter kan worden beoordeeld.
 
De beslissing van de voorzitter
Op grond van het voorgaande acht de voorzitter de bestreden reclame-uitingen in strijd met het bepaalde in artikel 3 NRC.
RB 2463

RTVNH poster jihadgezinnen in strijd met art. 4 NRC

RCC 5 juni 2015, RB 2463; dossiernr. 2015/00568 (Abriposter over jihadgezinnen in strijd met art. 4 NRC)
Aanbeveling (gedeeltelijk). Subjectieve normen. Buitenreclame. Uitzenden. De uiting: Het betreft een abriposter waarop een reclame-uiting uit de reclamecampagne ‘Hoor.Zie.Volg’ van adverteerder is te zien met daarop de volgende tekst: “Huizen er nog andere jihadgezinnen in ’t Gooi? Hoor.Zie.Volg. NH radio, tv, online.” Onderaan de uiting staat een afbeelding van een vijftal (architectonisch opvallende) flats die zich bevinden in de gemeente Huizen.

De klacht: Volgens klager is de reclame-uiting in strijd met tal van algemene bepalingen die opgenomen zijn in de Nederlandse Reclame Code (NRC). Allereerst is zij in strijd met de goede smaak en fatsoen. Bovendien kan het ertoe leiden dat de openbare orde wordt verstoord en is de uiting kwetsend jegens de vele fatsoenlijke islamitische gezinnen in ’t Gooi. De uiting roept angstgevoelens op en in zekere zin ook bijgelovigheid. Dat er jihadgezinnen zijn is niet weg te nemen, maar volgens een uitspraak van Ali Osman zijn er van de 1 miljoen moslims slechts 200 radicaal, aldus klager. Ook vormt de uiting volgens klager een gevaar voor de geestelijke en lichamelijke volksgezondheid daar waar de mogelijkheid bestaat dat racisme en mishandeling zich in toenemende mate kunnen gaan voordoen. Bovendien is sprake van agressieve reclame in de zin van artikel 14 NRC. Weliswaar draait het hier niet om verkoop of om een product, maar om het opleggen van een vraagstuk dat tot denken aanzet en kan leiden tot een actie dat wellicht niet zou zijn gebeurd als de onderhavige uiting er niet was geweest. Moslimgezinnen zullen namelijk veel scherper in de gaten gehouden worden. Er is dan ook sprake van een ongepaste beïnvloeding die indruist tegen het participatie principe en de sociale cohesie.

Het oordeel van de Commissie: De Commissie kwalificeert de onderhavige reclame-uiting als commerciële reclame. Doel en strekking van de uiting is onmiskenbaar om de aandacht van het publiek op adverteerder als lokale omroep te vestigen, mede gelet op de oproep haar mediadiensten te volgen (“Hoor. Zie. Volg”). Er wordt in de uiting geen mening geponeerd maar slechts een vraag gesteld. Degene die in de abri kennis neemt van die vraag heeft niet de gelegenheid daarop aan adverteerder een antwoord te geven. Dat is ook niet de bedoeling van de vraag. De Commissie verwerpt derhalve het standpunt van adverteerder dat de uiting dient te worden gezien als een bijdrage aan het maatschappelijk debat die is bedoeld om ervoor te zorgen dat mensen over dit onderwerp praten. De poster vraagt aandacht voor het product van adverteerder. Niet meer en niet minder.
Adverteerder heeft de vrijheid in haar reclame-uitingen te refereren aan lokale en regionale thema’s waarover zij als pers vrij en kritisch mag berichten. Er dient echter wel onderscheid te worden gemaakt tussen de mededelingen die adverteerder met een commercieel doel in reclame-uitingen doet en de onafhankelijke berichtgeving in de media die zij exploiteert. Het doen van uitingen met een commercieel doel valt weliswaar onder de vrijheid van meningsuiting, maar bij dergelijke uitingen weegt het belang van deze vrijheid minder zwaar dan bij uitingen die een maatschappelijk of sociaal doel dienen. Bij laatstbedoelde uitingen behoort derhalve met een grotere mate van terughoudendheid te worden getoetst. De Commissie verwijst naar de rechtspraak van het Europese Hof van de rechten van de mens, waaruit blijkt dat de “margin of appreciation” van de lidstaten bij zuiver commerciële uitingen ruimer is dan bij politieke uitingen of bij uitingen die bijdragen aan een debat van publiek belang (vgl. nrs. 61 en 62 EHRM 13 juli 2012, NJ 2014, 39 alsmede EHRM 19 februari 2015, zaak C 53649/09).
De Commissie zal in de eerste plaats beoordelen of de klacht, zoals klager stelt, onnodig kwetsend is voor moslims in het algemeen. Hierbij stelt de Commissie voorop dat op grond van de aan adverteerder toekomende vrijheid van meningsuiting slechts in duidelijke gevallen plaats is voor het oordeel dat een uiting de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat. Daarbij is voorts relevant dat de norm ‘nodeloos kwetsend’ subjectief van aard is, zodat ook om die reden een terughoudende beoordeling door de Commissie gepast is. Bij een subjectieve norm is de invulling afhankelijk van de persoonlijke waardering en opvattingen van degene die met de uiting wordt geconfronteerd. Bij een dergelijke norm dient te worden volstaan met te toetsen of naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de uiting de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat. Voor het oordeel dat een reclame-uiting nodeloos kwetsend is, is alleen plaats indien buiten twijfel is dat volgens de geldende maatschappelijke opvattingen het ontoelaatbaar moet worden geacht op een dergelijke wijze reclame te maken. Daarbij dient te worden gelet op het verdere kader waarin de uiting wordt gedaan. Uitgaande hiervan oordeelt de Commissie als volgt.
Adverteerder verwijst in de bestreden uiting specifiek naar “jihadgezinnen”, welke term niet door haar is bedacht. Naar het oordeel van de Commissie verwijst deze term niet naar de gehele moslimgemeenschap maar slechts naar personen waarvan blijkbaar werd gedacht dat zij in gezinsverband van plan waren naar Syrië te reizen teneinde daar om geloofsredenen deel te nemen aan de gewapende strijd. De Commissie begrijpt dat het twee gezinnen betreft waarover in september 2014 veel ophef is ontstaan. In de uiting wordt naar deze gezinnen verwezen met de vraag of er meer van dergelijke gezinnen zijn. Dat het specifiek deze gezinnen zijn, blijkt uit het gebruik van het woord “Huizen”, dat zowel de betekenis “wonen” heeft als een aanduiding van de gelijknamige plaats is waar zij wonen, geïllustreerd met voor inwoners van Huizen duidelijk herkenbare gebouwen uit die plaats. Dit een en ander is niet van dien aard dat daardoor bepaalde negatieve suggesties ten aanzien van moslims worden gewekt, derhalve acht de Commissie de uiting niet nodeloos kwetsend voor moslims in het algemeen.
Het voorgaande ligt anders ten aanzien van de twee gezinnen in Huizen waarnaar  in de reclame-uiting duidelijk wordt verwezen. In de uiting wordt een kwalificatie van hen gegeven (“jihadgezinnen”) die naar het oordeel van de Commissie voor de grote meerderheid van de bevolking een zeer negatieve connotatie heeft, immers in verband zal worden gebracht met terreur. Alle betrokken gezinsleden, ook voor zover het betreft jonge gezinsleden en gezinsleden die geen initiatief hebben genomen of plannen hadden om naar Syrië te reizen, zullen zich hierdoor aangesproken voelen en worden door de uiting ongevraagd in een negatief daglicht geplaatst. Gelet op het feit dat de posters mede in Huizen zijn gepubliceerd, zal dit hen en anderen in de betrokken regio niet zijn ontgaan. De Commissie oordeelt op grond van het voorgaande dat de bestreden uiting de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat. Zij acht het ontoelaatbaar om reclame te maken op een wijze die specifieke personen in een negatief daglicht stelt op zodanige wijze dat duidelijk is dat aan hen wordt gerefereerd, waarbij confrontatie met de uiting onvermijdelijk lijkt en de betrokkenen geen aanleiding of toestemming hebben gegeven om in reclame op een dergelijke wijze naar hen te verwijzen. De uiting is kwetsend door de negatieve aanduiding die van de gezinnen (in feite de gezinsleden) wordt gegeven. De uiting is nodeloos kwetsend omdat voor adverteerder geen noodzaak bestond op de onderhavige wijze aan de betrokken gezinnen te refereren. Dit klemt te meer omdat, zoals adverteeerder heeft erkend, is gebleken dat in ieder geval ten aanzien van één van die twee gezinnen vaststaat dat de verdenking niet op de feiten bleek te berusten. De Commissie oordeelt derhalve dat de bestreden reclame-uiting in strijd met artikel 4 van de Nederlandse Reclame Code is, uitsluitend voor zover het betreft de gezinnen waaraan in deze uiting wordt gerefereerd. De reclame-uiting is niet van dien aard dat zij in strijd is met artikel 2 NRC (goede smaak en fatsoen), art. 3 NRC (openbare orde), en artikel 6 NRC (appelleren aan angst of bijgelovigheid). In zoverre treft de klacht geen doel. Van agressieve reclame in de zin van artikel 14 NRC is in de onderhavige uiting evenmin sprake. Op grond van het vorenstaande wordt als volgt beslist.

De beslissing
De Commissie acht op grond van het voorgaande de reclame-uiting – ten aanzien van de gezinnen waaraan in deze uiting wordt gerefereerd – in strijd met artikel 4 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Voor het overige wijst zij de klacht af.

RB 2456

Humoristische middelvinger toelaatbaar op abriposter

RCC 22 juni 2015, RB 2456; 2015/00506 2015/00506/A (humoristische middelvinger toelaatbaar)
Afwijzing. Buitenreclame. Subjectieve norm. De uiting: Het betreft een abriposter waarop het gezicht van een man met zweetband te zien is en een middelvinger die wordt opgestoken waarboven de aanbieding “3 maanden gratis” staat. De klacht: Klaagster is van mening dat sprake is van een agressieve uiting die ongepast en platvloers overkomt.

Het oordeel van de Commissie:
1. De Commissie vat de klacht aldus op dat klaagster de betreffende reclame-uiting in strijd acht met de goede smaak en/of het fatsoen als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting in strijd is met (één van) deze criteria stelt de Commissie zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter daarvan. Beoordeeld dient te worden of de onderhavige uiting naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat. De Commissie beoordeelt de uitingen van geval tot geval en dient daarbij de vrijheid van meningsuiting van de adverteerder die de uiting openbaart in acht te nemen.

2. De Commissie stelt voorop dat sprake was van een, in het kader van 1 april, humoristisch bedoelde actie met een knipoog naar de andere uitingen van de betreffende campagne van adverteerder ter aanprijzing van zijn sportschool. De Commissie heeft er begrip voor dat niet iedereen onderhavige vorm van humor kan waarderen. Dit kan echter gelet op het voorgaande en de door de Commissie in acht te nemen terughoudendheid, niet tot het oordeel leiden dat de uiting van dien aard is dat dat de grens van het toelaatbare wordt overschreden. Daarom wordt als volgt beslist.

De beslissing
De Commissie wijst de klacht af.
RB 2455

Billboard webcamsex.nl moreel onverantwoord

CVB 7 juli 2015, RB 2455; 2015/00507 2015/00507/A  2015/00507/B 2015/00507/C 2015/00507/D 2015/00507/E (Billboard webcamsex.nl)
Aanbeveling bevestigd. Subjectieve normen, buitenreclame. De uiting: Het betreft het aan de westzijde naast de snelweg A4, ter hoogte van knooppunt Burgerveen, geplaatste billboard waarop [naam] is afgebeeld. Zij is alleen gekleed in een slip, die zij aan de achterkant met één hand naar beneden trekt. Haar borsten gaan schuil achter de in grote letters weergegeven tekst: “webcamsex.nl”. Verder staat op de uiting: “Cam nu met [naam]”. De klacht: Klager vindt het moreel onverantwoord dat hij naar aanleiding van een billboard langs de snelweg zijn jonge kinderen (van 4, 8 en 11 jaar) moet gaan uitleggen wat webcamseks is. Niet de reclamemaker moet hierin bepalend zijn, maar de verantwoordelijke ouders. Het is moreel verval van de maatschappij dat ‘deze partijen’ zich zo ongewenst kunnen opdringen.

Het oordeel van de Commissie (bevestigd door het CVB): 1. De Commissie neemt tot uitgangspunt dat het adverteerder in beginsel toegestaan is de door haar geëxploiteerde website webcamsex.nl aan te prijzen. Daaraan doet niet af dat tegen deze dienst morele of andere bezwaren kunnen bestaan. De Commissie beoordeelt niet de bestaande dienst op zich, maar toetst of de wijze waarop daarvoor reclame wordt gemaakt in overeenstemming is met de bepalingen van de NRC. Daarbij kan (de aard van) de aangeprezen dienst wel een rol spelen.

2. Klager maakt - kort gezegd - bezwaar tegen de reclame voor webcamsex.nl op het billboard langs de snelweg omdat hij het moreel onverantwoord vindt dat (jonge) kinderen hiermee worden geconfronteerd en dat de reclame ongewenst wordt opgedrongen. De Commissie vat deze bezwaren aldus op dat klager het billboard in strijd acht met de goede smaak en/of het fatsoen als bedoeld in artikel 2 NRC. Dat klager dit artikel niet uitdrukkelijk in de klacht heeft genoemd, betekent niet dat hij om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De Commissie acht de strekking van de klacht voldoende duidelijk, en blijkens het verweer heeft adverteerder de klacht ook aldus opgevat.

3. Bij de toetsing van een reclame-uiting aan criteria als de goede smaak en/of het fatsoen stelt de Commissie zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter van die criteria. De Commissie beoordeelt of de uiting naar de huidige maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare overschrijdt. Hierbij wordt, zoals vermeld in de (begin 2014 aangescherpte) toelichting bij artikel 2 NRC, mede rekening gehouden met de wijze waarop de uiting is geopenbaard en het effect dat de uiting daardoor op het publiek heeft. Bij een uiting die op zodanige wijze wordt gepubliceerd dat het publiek zich niet aan confrontatie daarmee kan onttrekken, zijn de grenzen van wat toelaatbaar kan worden geacht eerder overschreden dan bij uitingen die op een andere wijze worden gepubliceerd. Met inachtneming van voornoemde terughoudendheid en rekening houdend met het feit dat de onderhavige uiting een naast de snelweg A4 geplaatst reclamebord van zeer groot formaat betreft, overweegt de Commissie als volgt.

4. Naar het oordeel van de Commissie wordt door de wijze van adverteren voor de website webcamsex.nl, een product dat voor volwassenen bedoeld is, de grens van wat naar huidige maatschappelijke opvattingen toelaatbaar is overschreden. Het langs de A4 geplaatste billboard maakt reclame voor webcamsex.nl door middel van een (deels boven het bord uitstekende) afbeelding van een schaars geklede, als pornoactrice bij het publiek bekende [naam] in een seksueel uitdagende houding, gecombineerd met de in zeer grote letters weergegeven tekst “webcamsex.nl” en “Cam nu met [naam]”. Aldus kan iedereen, ook minderjarigen, onverhoeds en ongewild worden geconfronteerd met deze in de publieke ruimte geopenbaarde uiting van zeer groot formaat waarin door afbeelding en tekst duidelijk reclame wordt gemaakt voor een erotische dienst, die niet voor minderjarigen bedoeld is. Het verweer dat door plaatsing van het billboard langs de snelweg de doelgroep van 18 jaar en ouder specifiek wordt bereikt, snijdt geen hout. In de op de snelweg rijdende auto’s zitten immers, behalve de volwassen bestuurder, dikwijls ook minderjarige passagiers.

5. Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de bestreden reclame-uiting in strijd is met het bepaalde in artikel 2 NRC. Daarom wordt als volgt beslist.

De beslissing van de Reclame Code Commissie
De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met artikel 2 NR.

RB 2266

Halloweenposters wel eng, maar niet in strijd met de goede smaak

RCC 30 oktober 2014, RB 2266 (Halloween Parade Zoetermeer) en RCC 30 oktober 2014, RB 2267 (Halloween Fright Nights)

Afwijzing. Subjectieve normen. De uiting: Het betreft in beide gevallen posters, namelijk voor de “Halloween Parade Zoetermeer” en Walibi's "Halloween Fright Nights". De klacht: Klagers stellen, kort samengevat, dat beide posters veel te eng zijn voor jonge kinderen. De beslissing: De Commissie wijst de klachten in beide gevallen af.

Inzake Halloween Parade Zoetermeer:

1. De Commissie vat de klacht aldus op dat klaagster de poster vanwege de afbeelding van een als clown uitgedoste personage met puntige tanden en ogen die rood lijken op te lichten, in strijd met de goede smaak en/of fatsoen acht als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting in strijd is met een van deze criteria stelt de Commissie zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter daarvan. De Commissie beoordeelt of de uiting naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare overschrijdt.

2. Bij haar beoordeling stelt de Commissie voorop dat de poster bedoeld is om de aandacht te vestigen op de viering van Halloween in de gemeente Zoetermeer. Halloween is het feest van de (boze) geesten en deelnemers plegen verkleed en gemaskerd te zijn als boze geest om anderen schrik aan te jagen. De poster is bedoeld om op te roepen tot deelname aan dat feest zoals dat in Zoetermeer kennelijk wordt gevierd. Hoewel de Commissie er begrip voor heeft dat de afbeelding op de poster door (jonge) kinderen als angstaanjagend kan worden ervaren, is de Commissie van oordeel dat de bestreden poster aansluit bij de aard van Halloween. De poster bevindt zich niet op een plek waar jonge kinderen zeer frequent en langdurig met de poster zullen worden geconfronteerd. Niet is gebleken dat de bestreden uiting in de nabijheid van een lagere school of op andere voor kinderen bestemde plaatsen is te zien. In dit licht is de Commissie dan ook van oordeel dat de poster de grenzen van het toelaatbare niet te buiten gaat.

3. Het voorgaande neemt overigens niet weg dat de Commissie er begrip voor heeft dat niet iedereen de onderhavige uiting zal waarderen. Dit leidt evenwel – gezien het voorgaande – niet tot een andere beslissing.

Inzake Walibi Halloween Fright Nights:

1. De Commissie vat de klacht aldus op dat klaagster de poster vanwege de afbeelding van onder meer een clown met scherpe tanden in strijd met de goede smaak en/of fatsoen acht als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting in strijd is met een van deze criteria stelt de Commissie zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter daarvan. De Commissie beoordeelt of de uiting naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare overschrijdt.

2. Hoewel de Commissie er begrip voor heeft dat de afbeelding op de poster door (jonge) kinderen als angstaanjagend kan worden ervaren, is de Commissie van oordeel dat de bestreden poster de grenzen van het toelaatbare niet te buiten gaat. De poster bevindt zich in een filiaal van de Hema en daarmee niet op een plek waar jonge kinderen zeer frequent met de poster zullen worden geconfronteerd. In dit licht is de Commissie dan ook van oordeel dat de poster de grenzen van het toelaatbare niet te buiten gaat.

3. Het voorgaande neemt overigens niet weg dat de Commissie er begrip voor heeft dat niet iedereen de onderhavige uiting zal waarderen en dat het niet zonder meer voor de hand ligt de poster in een groot formaat te publiceren in een op een algemeen publiek gerichte winkel. Dit leidt evenwel – gezien het voorgaande – niet tot een andere beslissing.

 

RB 2037

Afbeelding tablet wijkt af van werkelijk aangeboden tablet

RCC 21 januari 2014, dossiernummer 2013/00948, (www.typhone.nl)
Aanbeveling. Het betreft een banner op http://www.typhone.nl. Daarin staat onder de aanhef “SUPERKNALLER!” onder meer: “Samsung Galaxy Tab3 8.0 + Samsung Galaxy Young voor slechts € 49,-” en “· 1-jarig Vodafone Bel + SMS + web 100 A · 200 MB + 100 min + Onbeperkt SMS · Slechts € 23,- p/mnd”. In de uiting zijn een tablet en een mobiele telefoon afgebeeld.

Adverteerder erkent dat in de bestreden uiting een afbeelding is opgenomen van een tablet, die afwijkt van de in werkelijkheid aangeboden tablet. Gelet hierop gaat de reclame gepaard met onjuiste informatie als bedoeld in artikel 8.2 aanhef van de NRC. De reclame-uiting is misleidend en daardoor oneerlijk als bedoeld in artikel 7 NRC. De voorzitter acht de uiting tevens in strijd met de "algemene aanbeveling onder i. afbeelding van het aangeboden product". Het verweer dat in de algemene voorwaarden een voorbehoud is opgenomen met betrekking tot fouten leidt niet tot een ander oordeel.

RB 2031

Afbeelding brievenbak misleidend

Vz. RCC 8 november 2013, dossiernummer 2013/00683 (tonercartridge.nl)
Misleiding afbeelding. Toegewezen. Het betreft een advertentie op www.tonerencartridge.nl waarin een “Brievenbak Leitz 5210 zwart met lade” wordt aangeboden voor € 8,03. Op de foto daarbij is een brievenbak afgebeeld bestaande uit twee brievenbakken naast elkaar waarvan het linkerblok niet en het rechterblok wel over drie laden beschikt. Onder de prijs staat onder meer “Voor veilig en uit het zicht opbergen van A4 documenten of losse items. Met volledig uitneembare en soepel schuivende lade.”. Klager stelt dat het misleidend is dat de advertentie de verwachting schept dat de brievenbank drie en niet één lade zou bevatten.

De Voorzitter oordeelt dat de afbeelding met drie laden de indruk wekt dat het voor de getoonde prijs mogelijk is een brievenbak met drie laden te kopen. De tekst "Brievenbak Leitz 5210 zwart met lade " en "Met volledig uitneembare en soepel schuivende lade" doet niet af aan de onjuiste indruk. Tevens is onduidelijke informatie verstrekt over de uitvoering van het product als bedoeld onder b van artikel 8.2 van de NRC. Ook is de uiting ontoelaatbaar gelet op de algemene aanbevelingen sub i, dat de afbeelding hetzelfde product dient te weergeven als hetgeen waarvoor geadverteerd wordt. Reclame-uiting is in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC.