Algemene regels

RB 3036

Aanklikken link in e-mail om opzegging te bevestigen is onredelijk bezwarend

Rechtspraak (NL/EU) 10 nov 2017, RB 3036; ECLI:NL:RBAMS:2017:8331 (mijndomein.nl tegen gedaagde), http://www.reclameboek.nl/artikelen/aanklikken-link-in-e-mail-om-opzegging-te-bevestigen-is-onredelijk-bezwarend

Ktr. Rechtbank Amsterdam 10 november 2017, IT&R 2414; RB 3036; ECLI:NL:RBAMS:2017:8331 (mijndomein.nl tegen gedaagde). Algemene voorwaarden. Contracten. Gedaagde heeft in 2016 de overeenkomst met betrekking tot de domeinnaam willen opzeggen. Deze opzegging had bevestigd moeten worden door middel van het klikken op een link in een bevestigingsmail. Zolang niet op de link geklikt wordt, wordt de opzegging niet definitief en zal de overeenkomst weer met een jaar worden verlengd, aldus mijndomein.nl. Mijndomein.nl dat zij met de bevestigingsmail zeker wil stellen dat de opzegging niet per ongeluk heeft plaatsgevonden. Hoe zij hiermee zekerheid verkrijgt over de identiteit van degene die heeft opgezegd en/of degene die de link heeft aangeklikt, is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Tevens bestaan er minder bezwarende wijzen waarmee een vergissing voorkomen kan worden.

RB 2680

Televisiecommercial Amstel Bier "Zeg het met een vaasje" niet in strijd met goede smaak of fatsoen

RCC 17 februari 2016, RB 2680; Dossiernr. 2016/00061 (Amstel Bier)
Audiovisuele media. Uiting: Het betreft de televisiecommercial ‘Zeg het met een vaasje’ voor Amstel Bier. In de commercial vertellen vier verschillende mannen respectievelijk in de kleedkamer van een voetbalclub, liggend in een tent, tijdens het kaarten in een café en staand op het erf van een boerderij aan de andere aanwezige mannen hoe bijzonder deze andere mannen voor de betreffende spreker zijn en hoezeer die hen waardeert en van hen houdt. De andere mannen voelen zich duidelijk ongemakkelijk bij deze woorden. Een van de toehoorders bij de boerderij rent weg na het horen van de woorden “Dat voel ik gewoon voor jullie”. Vervolgens zegt de voice-over: “Vrienden hoeven hun gevoelens toch helemaal niet uit te spreken?” En, terwijl mannen in een café proosten met een biertje: “Zeg het met een vaasje. Amstel bier. Maak het onvergetelijk”.

Klacht: Er wordt geschetst dat het tonen van gevoel door tegen vrienden te zeggen dat je van ze houdt eng en niet nodig is, en dat je beter samen een vaasje kunt drinken. Een agrariër reageert zelfs door weg te rennen. “Homofoob?”, vraagt klaagster zich af. In West-Friesland, waar klaagster woont, wil men de mannen/jongens leren wel te praten in plaats van alles weg te drinken. Er is veel leed onder jongens die worstelen met wat zij voelen en dat niet kunnen delen, met zelfs suïcide als ‘oplossing’. Klaagster denkt “dat artikel 5 en artikel 6 lid 1 hier van toepassing” zijn.

Commissie:
1. Klaagster meent dat de televisiecommercial voor Amstel bier in strijd met de artikelen 5 en 6 lid 1 RVA 2014 is, zo begrijpt de Commissie, omdat volgens haar de commercial als boodschap heeft dat het uitspreken van gevoelens door mannen jegens elkaar eng en niet nodig is en beter kan worden vervangen door het met elkaar drinken van een biertje.

2. Artikel 5 RVA 2014 luidt: “Reclame voor alcoholhoudende drank mag niet in strijd zijn met de goede smaak, het fatsoen, of afbreuk doen aan de menselijke waardigheid en integriteit.”

Artikel 6 lid 1 RVA 2014 luidt: “Reclame voor alcoholhoudende drank mag niet wijzen op de ontremmende werking van alcoholhoudende drank, zoals het verminderen of verdwijnen van angstgevoelens en innerlijke of sociale conflicten.”

3. Naar het oordeel van de Commissie is voor de gemiddelde consument voldoende duidelijk dat de commercial op een overdreven en humoristisch bedoelde wijze weergeeft dat mannen hun vriendschap niet per se tegenover elkaar hoeven uit te spreken, maar ook zonder woorden kunnen laten blijken door met elkaar een biertje te gaan drinken. Hierin ligt geen oproep besloten aan mannen om in het geheel niet over hun gevoelens te spreken of deze weg te drinken. Ook zal de gemiddelde consument het wegrennen van een van de toehoorders niet opvatten als een uiting van homofobie, zoals klaagster kennelijk veronderstelt. Naar het oordeel van de Commissie is in de commercial evenmin sprake van het wijzen op de ontremmende werking van alcoholhoudende drank.

4. Gelet op het voorgaande acht de Commissie de commercial niet in strijd met artikel 5 en/of artikel 6 lid 1 RVA 2014. Daarom wordt als volgt beslist.

De beslissing
De Commissie wijst de klacht af.

RB 2679

Reclame-uiting DIDI “ALLES 40% korting” misleidend wegens onbreken essentiële informatie

RCC 17 februari 2016, RB 2679; Dossiernr. 2016/00067 (DIDI)
Misleiding. Essentiële informatie. Uiting: Het betreft de op de etalage van de winkel van Didi in Schagen aangebrachte sticker met de (herhaalde) mededeling: “ALLES 40% korting”.

Klacht: Bij het afrekenen van een trui bij de kassa werd klaagster meegedeeld dat dit ‘nieuwe’ artikel niet met 40% was afgeprijsd. In de winkel werd echter nergens vermeld dat de actie “ALLES 40% korting” alleen gold voor oudere artikelen en dat andere artikelen hiervan uitgezonderd waren. Klaagster vindt dit “geen stijl”.

Commissie:
De op de etalageruit aangebrachte mededeling “ALLES 40% korting” is absoluut gesteld en wekt daardoor de indruk dat daadwerkelijk op het totale aanbod van adverteerder 40% korting wordt verleend. Gebleken is echter dat de kortingsactie alleen geldt voor de artikelen uit de ‘winter 2015 sale’. Deze beperking van het aanbod “ALLES 40% korting” tot slechts een gedeelte van het assortiment betreft essentiële informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te kunnen nemen en die daarom in de uiting zelf moet zijn opgenomen. Dat is niet het geval. Het enkele feit dat de uiting, zoals adverteerder heeft gesteld, is aangebracht op de ruit van de “winter 2015 sale etalage” maakt niet duidelijk dat de kortingsactie van 40% specifiek tot winterartikelen is beperkt en niet daadwerkelijk voor “alles” geldt. Uit de door klaagster overgelegde foto van de uiting blijkt immers geen duidelijk verband tussen de mededeling over de kortingsactie en de wintersale.

Gelet op het voorgaande is sprake van het ontbreken van essentiële informatie als bedoeld in artikel 8.3 onder c van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Omdat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. Daarom wordt als volgt beslist.

De beslissing
De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 2678

Uiting ANWB Wegenwacht misleidend door onvolledigheid

Vzr. RCC 16 februari 2016, RB 2678; Dossiernr. 2016/00021 (ANWB Wegenwacht)
Misleiding. Uiting: Het betreft:
-  een uiting van adverteerder op Facebook van voor zover daarin staat: “Wegenwacht Actie Het eerste jaar Wegenwacht Instapservice van € 55,- voor maar € 10,-!”
-  de website www.anwb.nl voor zover het betreft de actiepagina in verband met voorgaande aanbieding, waar onder meer staat: “Een geslaagde aanbieding Gefeliciteerd met je rijbewijs!Waarschijnlijk ga je nu pas echt lekker kilometers maken. Als je pech hebt wil je natuurlijk zo snel mogelijk geholpen worden en weer verder. Met de unieke link die je van jouw rijschool hebt gekregen doen wij je een geslaagde aanbieding.Instap nu maar 10,- Van 55,- voor 10,- Stap in”.

Klacht: Klager heeft in de zomer van 2015 zijn rijbewijs gehaald. Hij kreeg de tip dat je bij adverteerder via een speciale link het eerste jaar een gratis ANWB wegenwacht abonnement kon afsluiten. Klager heeft zich aangemeld met ingang van 30 juli 2015 en heeft € 10,00 betaald. Volgens klager mocht hij op grond van de uitingen ervan uitgaan dat hij gedurende het eerste jaar van zijn deelname, dus tot 30 juli 2016, niet meer dan € 10,00 zou behoeven te betalen. Adverteerder heeft hem echter voor de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 € 55,00 in rekening gebracht. Klager heeft contact opgenomen met adverteerder, maar kreeg te horen dat al jaren op deze wijze werd geadverteerd en dat het eerste jaar van deelname nu eenmaal altijd korter is dan de periode van 12 maanden. Klager acht de uitingen daarom misleidend. Adverteerder heeft sinds november 2015 de actiepagina veranderd. Nu is het wel duidelijk dat het een aanbieding betreft voor het kalenderjaar 2016.

Voorzitter:
1) De mededeling “Het eerste jaar Wegenwacht Instapservice van € 55,- voor maar € 10,-“ kan bij de gemiddelde consument de indruk wekken dat men gedurende een vol jaar gebruik kan maken van de wegenwachtservice voor € 10,00, terwijl dit bedrag alleen geldt voor de resterende maanden van het lopende jaar waarin men zich heeft aangemeld. Na 1 januari dient men alsnog het volledige bedrag voor het lidmaatschap gedurende het volgende jaar te betalen. Adverteerder heeft zich van de uitingen bediend op het moment dat de helft van het kalenderjaar al was verstreken. Daarom had zij in de uitingen duidelijk moeten vermelden wat werd verstaan onder “het eerste jaar” teneinde te voorkomen dat bij de consument onjuiste verwachtingen werden gewekt. Door dit na te laten acht de voorzitter de uitingen onvolledig en daardoor onduidelijk.

2) Blijkens het voorgaande is sprake van een omissie als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Voorts is de voorzitter van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht zou kunnen worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

3) Nu adverteerder de uiting inmiddels heeft verwijderd en voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij passende maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen, zal de voorzitter gebruik maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 12 lid 5 van het Reglement van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep en een aanbeveling achterwege laten.

De beslissing van de voorzitter
Op grond van het voorgaande acht de voorzitter de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC.

RB 2677

Reclame-uiting Hyundai misleidend door ontbreken essentiële informatie

RCC 16 februari 2016, RB 2677; Dossiernr. 2015/01245 (Hyundai)
Misleiding. Essentiële informatie. Uiting: Het betreft een aan klager gerichte Direct Mail, afkomstig van adverteerder met als onderwerp: “Van Oud naar Nieuw met de deal van het jaar!” Hierin staat, voor zover van belang:  “(…) Ziet u zichzelf al rijden in een nieuwe Hyundai i10?
Bekijk het rekenvoorbeeld hiernaast:

Rekenvoorbeeld:
De Hyundai i10 staat bij ons in de showroom vanaf € 10.995,-
Inruilvoordeel van uw huidige Suzuki Alto                 €   3.600,-
Eenmalig
Eindejaarsvoordeel                                                    €   1.500,-

U rijdt in uw nieuwe Hyundai i10 voor slechts:        
€ 5.895,- (dikgedrukt en in een groot lettertype).
(…) Deze aanbieding komt – net zoals het jaar 2015 – niet meer terug. (…)”

Helemaal onderaan de uiting staat in een klein lettertype: “(…) Genoemde prijs is incl. BTW&BPM en excl. kosten rijklaar maken, metallic lak, leges en recyclingbijdrage. Afgebeeld model kan afwijken van standaard uitvoering. De inruilwaarde van uw huidige Hyundai is een indicatie en is gebaseerd op de officiële koerslijst. De inruilwaarde van uw Hyundai kan afwijken en is afhankelijk van de staat en kilometerstand van uw Hyundai. Zie voor kosten en voorwaarden www.hyundai.nl of vraag ernaar in de showroom. Druk- en zetfouten voorbehouden”.

Klacht: Klager vindt de uiting misleidend omdat in de ‘hoofdtekst’ van de uiting staat dat klager al een nieuwe auto rijdt voor € 5895,-, terwijl uit de kleine lettertjes blijkt dat dit bedrag exclusief afleveringskosten is.

Voorts acht klager de uiting misleidend omdat in de kleine lettertjes staat dat de prijs afhankelijk is van de staat van de oude Hyundai van klager en dus niet van zijn in de hoofdtekst genoemde Suzuki Alto. Op basis van een iets duurdere versie van de Hyundai i10 kwam adverteerder tot een bij te betalen bedrag van € 8.650,-, in plaats van de op basis van de reclamefolder verwachte € 7.395,-.

Commissie:

Vooropgesteld wordt dat de bestreden uiting dient te worden aangemerkt als een uitnodiging tot aankoop als bedoeld in artikel 8.4 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Ingevolge het bepaalde onder c van dit artikel dient bij een uitnodiging tot aankoop de volgende essentiële informatie verstrekt te worden: “de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel deze extra kosten moeten worden betaald.”

In deze bepaling is artikel 7 lid 4 van Richtlijn 2005/29/EG geïmplementeerd, welk artikel in het kader van misleidende omissies bepaalt dat (onder meer) de hierboven bedoelde informatie essentieel is voor zover deze niet reeds uit de context blijkt. Gelet op de “Leidraad voor de tenuitvoerlegging/toepassing van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken” van de Europese Commissie, heeft het College van Beroep in zaak 2012/00088 reeds geoordeeld dat bij de uitnodiging tot aankoop sprake dient te zijn van een “totale prijs”, dat wil zeggen een prijs waarin alle kosten zijn inbegrepen voor zover die (1) vooraf kunnen worden bepaald, (2) niet-vermijdbaar zijn en (3) niet uit de context van de uiting blijken. Indien niet aan deze eisen is voldaan, dient te worden beoordeeld of de gemiddelde consument daardoor ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij niet zou hebben genomen indien hij de totaalprijs zou hebben gekend.

Vaststaat dat de in de bestreden uiting genoemde prijs exclusief kosten rijklaar maken (en diverse andere kosten) is. Kosten rijklaar maken zijn kosten waarop de consument geen invloed kan uitoefenen en die altijd verschuldigd zijn, derhalve vaste en onvermijdbare kosten. Op grond van hetgeen hiervoor onder 1 is overwogen had adverteerder derhalve deze kosten in de prijs dienen op te nemen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

Het verweer dat de kosten rijklaar maken voldoende blijken uit de “kleine lettertjes” onderaan de uiting treft geen doel. In de uiting staat dikgedrukt: “U rijdt in uw nieuwe Hyundai i10 voor slechts: € 5.895,-, zonder dat daarbij wordt verwezen – door middel van bijvoorbeeld een asterisk – naar de in zeer kleine letters onderaan de uiting opgenomen mededeling dat sprake is van bijkomende kosten, waaronder de kosten rijklaar maken waarop de klacht van klager ziet. Bovendien wordt hierin de hoogte van de kosten rijklaar maken niet vermeld.

Nu in de uiting geen “totale prijs” wordt vermeld, en evenmin kan worden gezegd dat de kosten in het onderhavige geval voldoende uit de context van de uiting blijken, kan de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument ertoe worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij niet zou hebben genomen indien wel sprake zou zijn geweest van een dergelijke prijs. Niet is weersproken dat de vaste en onvermijdbare kosten rijklaar maken leiden tot een hoger aankoopbedrag dan de in de uiting genoemde verkoopprijs van € 5.895,-. Niet kan worden uitgesloten dat bedoelde consument voor een ander model zou hebben gekozen indien hij vooraf die kosten had gekend. Op grond van het voorgaande is sprake van een omissie als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c NRC in verbinding met artikel 8.4 aanhef en onder c NRC. De Commissie acht de uiting daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Ten aanzien van onderdeel 2 van de klacht dat de prijs (mede) afhankelijk is van de Suzuki Alto van klager oordeelt de Commissie als volgt. In de reclame-uiting wordt door middel van het noemen van een zogenaamd ‘gepersonaliseerd prijsvoorbeeld’ – namelijk een prijsvoorbeeld dat direct tot klager is gericht en waarin zijn huidige Suzuki Alto wordt genoemd – een inruilwaarde gegeven van € 3.600,-. Niet in geschil is echter dat deze inruilwaarde slechts een indicatie is en dat de daadwerkelijke inruilwaarde wordt bepaald aan de hand van de staat en kilometerstand van de auto, hetgeen onderaan de uiting in een zeer klein lettertype wordt vermeld. De Commissie is van oordeel dat dit onvoldoende duidelijk uit de uiting blijkt nu in de hoofdtekst niet – door middel van bijvoorbeeld een asterisk – naar deze informatie wordt verwezen zodat dit de gemiddelde consument gemakkelijk zal kunnen ontgaan. Bovendien zal de consument er in het geheel niet op bedacht zijn dat de genoemde prijs slechts een indicatie is omdat sprake is van een ‘gepersonaliseerd prijsvoorbeeld’ en de genoemde inruilwaarde een auto betreft die bekend is bij adverteerder waardoor de consument zal (kunnen) denken dat dit een reële prijs is.

Blijkens het voorgaande heeft adverteerder, vanwege het ontbreken van essentiële informatie, reclame gemaakt in strijd met het bepaalde onder c van artikel 8.3 NRC. Voorts is de Commissie van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC en zal ook dit onderdeel van de klacht worden toegewezen.

De beslissing
De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 2676

Mededeling “uit geconcentreerd sinaasappelsap” op oude verpakking Appelsientje niet duidelijk zichtbaar

Vzr. RCC 16 februari 2016, RB 2676; Dossiernr. 2016/00057 (Appelsientje)
Verpakking. Uiting: Het betreft de (oude) verpakking van ‘Appelsientje sinaasappel’.

Klacht: Klager stelt dat het pak “uitstraalt” dat het sinaasappelsap bevat dat volledig bestaat uit geperste sinaasappels. Er staat immers “15 sinaasappels” op het pak en “100% sap”. Helemaal onderop het pak staat, nauwelijks opvallend, dat het gaat om geconcentreerd sinaasappelsap. Dat is volgens klager wat anders dan 100% sap. Op de achterkant staat nogmaals dat het om sap uit concentraat gaat, maar het lettertype van de woorden ‘Mmm…lekker’ is een stuk groter dan de vermelding sap uit concentraat. Adverteerder heeft haar uiterste best gedaan om het zo te laten lijken dat men sinaasappelsap krijgt uit 15 sinaasappels zonder toevoegingen, terwijl men in werkelijkheid geconcentreerd sap krijgt dat is aangelengd met water. Klager vindt dit misleidend.

Voorzitter:

1)  Niet in geschil is dat de verpakking betrekking heeft op uit een concentraat verkregen vruchtensap zoals bedoeld in het Warenwetbesluit Vruchtensappen 2012 in verbinding met Richtlijn 2001/112/ EG. Evenmin is in geschil dat deze informatie op de voorzijde van de verpakking dient te staan en ook staat. Daarbij gaat de voorzitter ervan uit dat adverteerder de in artikel 13 lid 2 Verordening (EU) Nr. 1169/2011 voorgeschreven lettergrootte in acht heeft genomen. Klager stelt dat desondanks onvoldoende duidelijk uit de verpakking blijkt dat het om vruchtensap uit concentraat gaat, hetgeen blijkbaar de kern van de klacht is en waartoe de voorzitter de beoordeling ook zal beperken. Met betrekking tot het toepasselijke toetsingskader is het volgende van belang.

2)  In artikel 13 lid 1 Verordening (EU) Nr. 1169/2011 is bepaald dat verplichte voedselinformatie op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare en, zo nodig, onuitwisbare letters wordt aangebracht. Andere aanduidingen, afbeeldingen of ander materiaal mogen de verplichte informatie in geen geval verbergen, minder zichtbaar maken, aan de aandacht onttrekken of onderbreken. Verder verwijst de voorzitter naar artikel 3 lid 6 van Richtl?n 2001/ 112/EG waar in verband met de in dit geval verplichte mededeling dat het product is vervaardigd uit sapconcentraat onder meer staat: “Deze vermelding wordt in duidel?k zichtbare letters, duidel?k te onderscheiden van de achtergrond, in de nab?heid van de benaming aangebracht”. Ingevolge artikel 2 van het Warenwetbesluit vruchtensappen 2012 is het verboden in strijd met deze bepaling te handelen.

3)  Partijen hebben ieder voor zich een foto van de verpakking van het product overgelegd. Nu deze foto’s een tegengesteld beeld lieten zien met betrekking tot de attentiewaarde van de mededeling “uit geconcentreerd sinaasappelsap” op de voorzijde van de verpakking, heeft het secretariaat van de Stichting Reclame Code bij adverteerder een originele verpakking opgevraagd. De voorzitter zal bij de beoordeling van de klacht van die originele verpakking uitgaan en overweegt als volgt. De mededeling “uit geconcentreerd sinaasappelsap” staat in zwarte letters op de voorzijde van de verpakking, uiterst onderaan en tegen een gedessineerde achtergrond die blijkbaar een houten tafel voorstelt. Als geheel heeft deze achtergrond op de plaats waar de mededeling zich bevindt een overwegend donkerbruine respectievelijk donkergele tint. De mededeling wordt diagonaal ‘doorkruist’ door diverse donkere lijnen die blijkbaar houtnerven voorstellen.

4)  Door het voorgaande kan niet worden gezegd dat de mededeling “uit geconcentreerd sinaasappelsap” zich duidelijk onderscheidt van de achtergrond respectievelijk dat de mededeling niet minder zichtbaar is gemaakt door die afbeeldingen. In feite valt deze mededeling weg tegen de donkere achtergrond, mede door het gebruikte zwarte lettertype en de gedessineerde achtergrond. De vele diagonale lijnen doen afbreuk aan de zichtbaarheid van de tekst waardoor deze zich onvoldoende onderscheidt van de achtergrond. Dat op de achterzijde van de verpakking beter zichtbaar de mededeling staat “uit sapconcentraat verkregen sinaasappelsap”, doet niet af aan het oordeel dat de verpakking op grond van het voorgaande niet voldoet aan de onder 2) bedoelde regelgeving en daardoor niet in overeenstemming is met de wet als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC).

5)  Bij de toezending van de originele verpakking is gebleken dat het een verpakking betreft die inmiddels is opgevolgd door een verpakking met een wezenlijk ander design en die volgens adverteerder sinds week 46 van 2015 op de markt wordt gebracht. Ook van de nieuwe verpakking heeft adverteerder een originele verpakking overgelegd. Deze bevat op de voorzijde de mededeling “sinaasappel uit concentraat” (in plaats van “uit geconcentreerd sinaasappelsap”). Deze mededeling staat in een egaal oranje gekleurd vlak waarin eveneens de merknaam van adverteerder staat. In verband met de vraag of gebruik zal worden gemaakt van de  bevoegdheid als bedoeld in artikel 12 lid 5 van het Reglement van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep, overweegt de voorzitter dat de vermelding “sinaasappelsap uit concentraat” wel voldoet aan het onder 2) bedoelde toetsingskader. De mededeling op de nieuwe verpakking staat immers in duidelijke letters die niet worden verstoord, verborgen, minder zichtbaar worden gemaakt of aan de aandacht worden onttrokken door afbeeldingen. Hierdoor onderscheidt de mededeling op de nieuwe verpakking zich in voldoende mate van de achtergrond. Nu te verwachten valt dat inmiddels alle oude verpakkingen zullen zijn vervangen door nieuwe verpakkingen dan wel dit zeer spoedig zal gebeuren gelet op de houdbaarheidsdata op de overgelegde verpakkingen, zal de voorzitter een aanbeveling achterwege laten.

De beslissing van de voorzitter

Op grond van het voorgaande acht de voorzitter de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 2 NRC.

RB 2674

Vanafprijs D-reizen stemt niet overeen met actuele situatie en niet tijdige informatie bagagekosten

RCC 1 februari 2016, RB 2674; Dossiernr. 2015/01208 (D-reizen)
Vanafprijs. Uiting: Het betreft een uiting op de website www.d-reizen.nl voor zover het betreft: Hotel Magic Life Jacaranda Imperial***** in Turkije.

Klacht: Klager heeft de volgende bezwaren tegen de uiting:
A. De in de boekingsmodule getoonde ‘vanafprijs’ van € 751,- in stap 2 van het boekingsprogramma is voorzien van een toelichting. Hierin staat vermeld welke kosten exclusief zijn. Over eventuele additionele kosten met betrekking tot bagage wordt in dit stadium van de boeking niets vermeld. Volgens klager moet adverteerder op grond van artikel III van de Reclame Code Reisaanbiedingen duidelijke prijzen hanteren. Nu pas in stap 3 van het boekingsprogramma wordt vermeld dat de consument mogelijk aanvullende bagagekosten verschuldigd is voldoet adverteerder volgens klager niet aan artikel III van de Reclamecode voor Reisaanbiedingen 2014 (hierna: RR 2014).

B. In de bij stap 2 getoonde tabel worden voor 5 verschillende reisduren en 9 verschillende vertrekdata ‘vanafprijzen’ genoemd. Geen van de door klager geprobeerde ‘vanafprijzen’ blijken bij direct doorklikken nog beschikbaar te zijn. De ‘laagste actuele prijs’ is volgens klager in alle van de door hem geprobeerde gevallen enkele tientallen euro’s per persoon hoger dat de getoonde ‘vanafprijs’, hetgeen in strijd is met artikel V onder 1 en/of onder 2 RR 2014.

C. In de toelichting wordt aangegeven dat ‘eventuele verplichte extra kosten ter plaatse’ niet in het aanbod zijn inbegrepen. Verplichte extra kosten zijn per definitie onvermijdbare kosten; die niet mogen worden uitgezonderd van de geadverteerde prijs. Nu in de uiting niet is gespecificeerd welke verplichte extra kosten voldaan dienen te worden noch de hoogte daarvan wordt vermeld heeft adverteerder hiermee in strijd gehandeld met artikel III lid 1 Code RR. Indien adverteerder hier (mede) doelt op toeristenbelasting, dan worden die kosten geacht te zijn verdisconteerd in de prijs, aldus klager.

D. Adverteerder laat volgens klager in strijd met artikel IV lid 2 RR 2014 na om gelijktijdig met de vermelding van de definitieve prijs van de vlucht, de kostenelementen waaruit deze prijs is opgebouwd, te specificeren.


Commissie:
Ten aanzien van onderdeel A

Niet in geschil is dat de bagagekosten niet in de prijs zijn inbegrepen en dat hiervoor afzonderlijk dient te worden betaald. Naar het oordeel van de Commissie stelt adverteerder terecht dat het aan de consument is om te kiezen of hij al dan niet ruimbagage meeneemt, ook bij een 8-daagse pakketreis als in het onderhavige geval. De kosten voor ruimbagage zijn om die reden aan te merken als een vermijdbare kostenpost, die daarom niet in de aanbiedingsprijs opgenomen hoeft te zijn.

Het voorgaande neemt niet weg dat de consument tijdig dient te worden geïnformeerd over het feit dat bagagekosten niet in de prijs zijn inbegrepen en, indien hij ervoor kiest bagage in te checken, welke kosten daaraan verbonden zijn. De informatie over het feit dat aanvullende bagagekosten verschuldigd kunnen zijn en hoe hoog deze zijn, dient te worden verstrekt zodra de consument beschikt over de gegevens die hem in staat stellen een boeking te doen. In die situatie dient voor de consument duidelijk te zijn welke optionele kosten niet in de prijs zijn inbegrepen en waar hij hierover informatie kan vinden. Naar het oordeel van de Commissie had adverteerder om die reden deze informatie reeds in stap 2 van het boekingsproces dienen te verstrekken. Immers, door het achterwege blijven van informatie over het feit dat optionele bagagekosten verschuldigd zijn en over de hoogte daarvan, zou de gemiddelde consument kunnen menen dat deze kosten niet afzonderlijk verschuldigd zijn en inbegrepen zijn in de prijs die wordt getoond op basis van de door hem ingevoerde gegevens. Dat adverteerder pas in stap 3 naar optionele bagagekosten verwijst, dient om die reden onjuist en in strijd met het uitgangspunt van het bepaalde onder IV lid 1 in verbinding met het bepaalde onder III lid 1 RR 2014 te worden geacht. Dat in stap 3 staat: “Toelichting: (…) Indien er aanvullende bagagekosten van toepassing zijn, neemt uw Reisassistent direct na uw boeking contact met u op”, maakt het oordeel van de Commissie niet anders, nog los van het feit dat de consument – indien hij bijkomende (ruim)bagagekosten verschuldigd is – hiervan pas na het boeken bericht ontvangt en daardoor pas na de boeking weet wat de hoogte van deze  kosten is.

Ten aanzien van onderdeel B

Klager maakt bezwaar tegen de uiting voor zover hierin staat: “Kies een vanafprijs voor de beste deal mei 2016 € 751,-”. Klager stelt dat de (pakket)reis naar Turkije niet te boeken is voor de geadverteerde vanafprijs van € 751,- hoewel dit bedrag, evenals de andere genoemde vanafprijzen, nog wel op de website stond en men daarop kon klikken.  Adverteerder heeft niet betwist dat op het moment dat klager voor het genoemde bedrag wilde boeken dit niet meer mogelijk bleek. De Commissie begrijpt aldus dat op de website van adverteerder prijzen werden getoond die niet overeenstemden met de actuele situatie.

Op grond van artikel V lid 2 RR 2014 dienen reclame-uitingen voor diensten die niet meer beschikbaar zijn, onverwijld te worden gestaakt. Uit het voorgaande volgt dat adverteerder in strijd met deze bepaling een prijs op haar website heeft laten staan die niet meer te boeken was, derhalve die niet meer actueel was. Het is aan adverteerder om prijzen te tonen waarvoor de consument op het moment dat deze op zijn scherm verschijnen nog kan boeken. Nu adverteerder dit heeft nagelaten, heeft zij in strijd gehandeld met artikel V lid 2 RR 2014.

Ten aanzien van C

Klager stelt verder dat adverteerder in de geadverteerde prijs ten onrechte niet de “eventuele verplichte extra kosten ter plaatse” heeft verdisconteerd. Op zichzelf genomen stelt klager terecht dat dergelijke kosten in de prijs inbegrepen dienen te zijn. Nu adverteerder evenwel heeft gesteld dat bij de reis die klager heeft geboekt van de in de uiting genoemde “eventuele verplichte extra kosten ter plaatse” geen sprake is omdat al deze kosten reeds in de prijs zijn inbegrepen, en niet gebleken is dat deze stelling onjuist is, dient dit onderdeel van de klacht te worden afgewezen.

Ten aanzien van onderdeel D

De Commissie zal het onderdeel van de klacht waarin klager klaagt over het feit dat adverteerder in strijd heeft gehandeld met artikel IV lid 2 RR afwijzen. De reclame-uiting betreft een pakketreis. De Commissie acht het niet in strijd met genoemd artikel dat adverteerder bij een dergelijke reis geen afzonderlijke specificatie heeft verstrekt met betrekking tot de afzonderlijke kostenelementen van de vlucht die onderdeel uitmaakt van de pakketreis. Deze verplichting volgt ook niet uit artikel 7:501 lid 1 en 2 BW in verbinding met het Gegevensbesluit georganiseerde reizen.

De beslissing

De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel IV lid 1 RR 2014 in verbinding met het bepaalde onder artikel III lid 1 RR 2014, alsmede acht zij de uiting in strijd met artikel V lid 2 RR 2014. Voor het overige wijst zij de klacht af.

RB 2673

Geoorloofde vergelijkende reclame met gratis hoortoestellen

Vzr. Rechtbank Amsterdam 25 februari 2016, RB 2673; ECLI:NL:RBAMS:2016:1052 (Specsavers tegen Beter Horen)
Uitspraak ingezonden door Thijs van Aerde, Houthoff Buruma. Specsavers en Beter Horen verkopen beiden hoortoestellen en verlenen bijbehorende diensten aan consumenten. Specsavers maakt sinds 2013 reclame met gratis hoortoestellen. Beter Horen voert een vergelijkende reclame waarmee, zo stelt Specsavers, de goede naam van Specsavers wordt geschonden, de suggestie wordt gewekt dat Specsavers 'stunt' met het gehoor zodat haar hoortoestellen van een mindere kwaliteit zijn en dat men voor een écht goed advies naar Beter Horen moet gaan. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat in dit geval sprake is van geoorloofde vergelijkende reclame. De beweringen van Beter Horen in haar commercial hebben een subjectief karakter en zijn niet denigrerend van aard. De voorzieningenrechter weigert de gevraagde voorzieningen.

4.1. Specialers heeft gesteld dat de reclame-uitingen van Beter Horen van de commercial Doen jullie óók vaan gratis hoortoestellen? zijn aan te merken als (impliciete) vergelijkende reclame, waarmee Beter Horen de goede naam van Specialers schaadt, door te suggereren dat Specialers (diegenen die gratis hoortoestellen aanbiedt) 'stunt' met het gehoor zodat haar hoortoestellen gevaarlijk, slecht dan wel niet goed kunnen zijn, dan wel van een inferieure, slechte dan wel mindere kwaliteit zijn en dat men voor een écht toe advies ofwel (kwalitatief) het beste althans beter advies naar Beter Horen moet gaan en niet naar degenen die gratis hoortoestellen aanbiedt (Specialers). Deze claims en suggesties zijn onjuist en denigrerend jegens Specialers.
De gemiddelde consument kan immers de reclame-uitingen herleiden tot Specialers, die gratis hoortoestellen aanbiedt. Specialers beroept zich op artikel 6:193a-j BW (oneerlijke handelspraktijken), artikel 6:194 BW (misleidende reclame), artikel 6:194a BW (ongeoorloofde vergelijkende reclame) en artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).

4.6. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat in dit geval sprake is van geoorloofde vergelijkende reclame. Beter Horen beweert in haar commercial dat zij liever niet stunt met het gehoor van de consument, dat de oren van de consument beter verdienen en dat de consument voor een écht goed advies naar Beter Horen met gaan. Deze beweringen hebben naar hun aard een subjectief karakter. Daarbij geldt dat een zekere overdrijving aan reclame eigen is. in dat licht moet ook de term 'stunten' worden bezien, die in de reclame in het algemeen gebruikt wordt in de zin van 'stunten met prijzen', hetgeen hier ook het geval is. Het gaat immers om de prijs van een hoortoestel, gratis of niet gratis. Dat Beter Horen de suggestie wekt dat haar hoortoestellen en haar service beter zijn dan die van de concurrent (ini dit geval Specialers) is toelaatbaar. Dat is immers een suggestie die vrijwel iedere reclame wil wekken. Onnodig denigrerend (tegenover Specialers) is de reclame niet. De suggesties die Specialers voorts in de commercial ziet, dat Specialers risico zou nemen het gehoor of zelfs gevaarzettend zou handelen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver gezocht en vinden geen steun in de feiten.
Tenslotte valt niet in te zien welke (andere) misleidende mededeling Beter Horen in de reclame Doen jullie óók aan gratis hoortoestellen?  wordt gedaan. Beter Horen doet immers geen mededeling die onjuist of onvolledig is. Beter Horen doet geen feitelijke mededelingen die zij niet waar kan maken. De vermelding dat Beter Horen geen gratis hoortoestellen aanbidt is juist, en de suggestie dat andere aanbidders van hoortoestellen dat wel doen is eveneens juist. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering niet toewijsbaar is op grond van artikel 6:194a BW. Aan het beroep op artikel 6:162 BW zijn geen andere stellingen ten grondslag gelegd dan reeds hiervoor besproken, zodat evenmin op grond van dat artikel de vordering kan worden toegewezen.
De gevraagde voorzieningen zullen dan ook worden afgewezen.

Lees de uitspraak (pdf/html)