RB 2929

Prejudiciële vraag: Dient bij een zuiver textielproduct verplicht vermeld te worden dat het uit één enkele vezelsoort is samengesteld?

Prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU 18 mei 2017, RB 2929; C-339/17 (zuivere textielproducten) Consumentenbescherming. Mededinging. MinBuza: Verzoeker (Verein für lauteren Wettbewerb e.V.) heeft bezwaar gemaakt tegen het online aanbod van verweerder (Princesport GmbH) wegens schending van artikelen van de Duitse wet op de oneerlijke mededinging (hierna: UWG) en de verordening. Op 5 juli 2016 is een verstekvonnis gewezen tegen verweerder. Tegen dit verstekvonnis heeft verweerder op 25 juli 2016 verzet aangetekend. Op 31 januari 2017 vond de terechtzitting over dit verzet plaats. Bij beschikking van het Landgericht op 16 maar 2017 zijn partijen erop gewezen dat het Landgericht beoogt het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. Op 19 april 2017 heeft het Landgericht beslist de mondelinge behandeling weer te openen. 

Verzoeker stelt dat een verduidelijking dat het een “zuiver textielproduct” betreft, verplicht is. Volgens verzoeker mag er slechts worden gekozen uit drie mogelijke omschrijvingen: “100%”, “zuiver” of “puur”. De verplichting op grond van artikel 9 van de verordening om het gewichtspercentage van de in een product gebruikte textielvezels te vermelden, geldt ook voor producten die uit slechts één vezelsoort zijn samengesteld. De toevoeging “zuiver” mag ook niet naast “100%”, maar slechts in plaats daarvan, worden gebruikt. Niet toegestaan is de vermelding “100% zuivere katoen”, evenmin als “alleen katoen” of enkel “katoen” zonder nadere aanduidingen. Verweerder is van mening dat de verordening dergelijke “zuivere textielproducten” niet verplicht om die producten als “zuiver” of “puur” te merken, maar dat de verordening alleen duidelijk maakt dat alleen “zuivere textielproducten” die toevoegingen mogen dragen (het gebruik van de bewoordingen zou niet verplicht zijn). 

De beslissing hangt af van de vraag of en op welke manier artikel 7 lid 1 van de verordening in onderhavige zaak van toepassing is op de reclame-uitingen van verweerder. Volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) dienen bepalingen van de verordening textielmerking die de merking van textielproducten reguleren, de consumentenbescherming en vormen zij derhalve regelingen inzake marktgedrag in die zin van UWG (oude versie). De volgende vragen worden aan het HVJEU voorgelegd: 

1. Dient artikel 7, lid 1, van verordening (EU) nr. 1007/2011 aldus te worden uitgelegd dat verplicht moet worden duidelijk gemaakt dat het een zuiver textielproduct betreft dat uit één enkele vezelsoort is samengesteld? 

2. Is het gebruik van één van de drie in artikel 7 van verordening (EU) nr. 1007/2011 genoemde toevoegingen „100 %”, „zuiver” of „puur” verplicht, of gaat het slechts om een keuze voor dergelijke producten, maar niet om een verplichting? 

3. Geldt de verplichting krachtens artikel 9, lid 1, van verordening (EU) nr. 1007/2011 om op het etiket of merk van een textielproduct de naam en het gewichtspercentage van alle samenstellende vezels te vermelden, ook voor zuivere [Or. 3] textielproducten, zoals die welke onder artikel 7 van verordening (EU) nr. 1007/2011 vallen?