RB 3103

Mededeling dat “de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamines eigenlijk het minimum is” te absoluut

RCC 31 januari 2018, RB 3103; Dossiernr. 2017/00622K (Swisse multivitatminen) dVAF vernietigd. Aanbeveling. Het betreft de televisiecommercial voor Swisse multivitaminen. De klacht In de commercial wordt beweerd: “Wist je dat de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamines eigenlijk het minimum is”. Dit is volgens klager een volstrekt onjuiste uitleg van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH). De ADH is juist niet de minimumhoeveelheid van een voedingsstof die nodig is om deficiėntie te voorkomen, maar is de hoeveelheid die voor verreweg de meeste mensen voldoende is. 

1. Klager maakt bezwaar tegen de televisiecommercial voor Swisse multivitaminen, omdat volgens hem, onder verwijzing naar deskundigen op het gebied van voeding, de mededeling “Wist je dat de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamines eigenlijk het minimum is” niet juist is. Adverteerder stelt zich op het standpunt dat op basis van het rapport van de Voedingsraad van 1989 de ADH als een minimumwaarde mag worden beschouwd. Verder stelt adverteerder dat de bestreden zin in de context van de commercial moet worden beschouwd, en dat de commercial in haar geheel is goedgekeurd door de Keuringsraad en in een eerdere uitspraak van de Commissie niet misleidend is geacht.

2. De Commissie stelt voorop dat haar uitspraak in dossier 2017/00346 weliswaar betrekking had op dezelfde televisiecommercial voor Swisse vitaminen, maar de klacht daartegen een andere grondslag kende dan het in het onderhavige geval door klager aangevoerde bezwaar. In haar eerdere uitspraak heeft de Commissie niet beoordeeld of de nu bestreden mededeling “(…) dat de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamines eigenlijk het minimum is” onjuist is en daarmee de commercial in strijd met de Nederlandse Reclame Code (NRC) doet zijn.

3. Niet is in geschil dat de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamines wordt gevormd door de – aan de hand van vijf criteria vastgestelde – gemiddelde minimumbehoefte van de bevolking met daar bovenop, omdat de individuele behoefte varieert, een marge ter grootte van tweemaal de standaarddeviatie. Hierdoor dekt de ADH de behoefte van 97,5% van de bevolking. Dit betekent naar het oordeel van de Commissie dat de inname van vitamines op het niveau van de ADH voor 97,5% van de bevolking in ieder geval toereikend is, maar ook dat de minimumbehoefte van een (groot) deel van de bevolking lager ligt dan de ADH. Zij kunnen toe met een inname die lager ligt dan de ADH zonder dat dit voor hen een tekort aan vitamines oplevert. Gelet hierop acht de Commissie de mededeling dat “de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamines eigenlijk het minimum is” te absoluut en daardoor niet juist.

4. Dit wordt niet anders indien de bestreden mededeling wordt beschouwd in de context van de gehele commercial. Door de ADH te bestempelen als minimum, wordt in het vervolg van de commercial de indruk gewekt dat voor iedereen bij een inname van vitamines die lager is dan de ADH het innameniveau onder het minimum komt. In feite wordt meegedeeld dat men, om er zeker van te zijn dat de minimumbehoefte in alle gevallen wordt gedekt, de hoog gedoseerde Swisse multivitaminen zou moeten nemen. Zoals hiervoor overwogen behoeft het niet halen van de ADH echter niet te betekenen dat niet aan de minimumbehoefte wordt voldaan.

5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de televisiecommercial gepaard gaat met onjuiste informatie als bedoeld in de aanhef van artikel 8.2 NRC. Omdat de gemiddelde consument hierdoor ertoe kan worden gebracht een besluit over een transactie – de aanschaf van Swisse multivitaminen – te nemen dat hij anders niet had genomen, is de commercial misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

6. Met dit oordeel wordt afgeweken van de goedkeuring van de televisiecommercial door de Keuringsraad KOAG/KAG, die de commercial immers van een toelatingsnummer heeft voorzien. Het feit dat de Keuringsraad de onderhavige commercial preventief heeft goedgekeurd, sluit echter niet uit dat de Commissie naar aanleiding van een specifieke klacht, op basis van hoor en wederhoor en mede op basis van informatie die in deze zaak beschikbaar is, anders beslist over de vraag of de uiting misleidend is. De toelating door de Keuringsraad staat in dit geval niet in de weg aan het oordeel van de Commissie dat de commercial in strijd is met artikel 7 NRC.

7. Op grond van het vorenstaande wordt als volgt beslist.

De beslissing De Commissie vernietigt de beslissing van de voorzitter tot directe afwijzing van de klacht. De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC en beveelt adverteerder aan om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.