RB 2926

HvJ EU: Praktijken van een incassobedrijf vallen onder 'product'-begrip uit OHP-Richtlijn

HvJ EU 20 juli 2017, IEFbe 2289; RB 2926; C-357/16; ECLI:EU:C:2017:573 (Gelvora) Oneerlijke handelspraktijken – Richtlijn 2005/29/EG – Werkingssfeer – Incassobedrijf – Consumentenkrediet – Cessie van schuldvordering – Aard van de juridische verhouding tussen het bedrijf en de debiteur – Artikel 2, onder c) – Begrip ‚product’ – Invorderingsmaatregelen die parallel met het optreden van een gerechtsdeurwaarder worden toegepast. Antwoord:

[richtlijn oneerlijke handelspraktijken] moet aldus worden uitgelegd dat de juridische verhouding tussen een incassobedrijf en een schuldenaar die in gebreke is gebleven bij de nakoming van een consumentenkredietovereenkomst, waarbij de schuldvordering aan het incassobedrijf is gecedeerd, binnen de werkingssfeer ratione materiae van deze richtlijn valt. De praktijken die een dergelijk bedrijf toepast om haar schuldvordering in te vorderen, vallen onder het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van deze richtlijn. In dit verband doet de omstandigheid dat de schuld is bevestigd door een rechterlijke beslissing, en dat die beslissing aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging, niet ter zake.

Gestelde vragen:

1)      Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst, binnen de werkingssfeer van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken], wanneer de onderneming handelingen inzake schuldinvordering verricht?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip ‚product’ in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken] ook betrekking op handelingen tot invordering van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke kredietgever gesloten consumentenkredietovereenkomst?

3)      Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging, binnen de werkingssfeer van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken], wanneer de onderneming parallelle handelingen inzake schuldinvordering verricht?

4)      Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip ‚product’ in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken] ook betrekking op handelingen tot invordering van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke kredietgever gesloten consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging?