RB 3022

Geadresseerde post van Hans Anders gevolg van fout, geen strijd met Wet Bescherming Persoonsgegevens

Vz. RCC 16 oktober 2017, RB 3022; dossiernr. 2017/00647 (Post van Hans Anders). Gedeeltelijk toewijzing. De klacht: klager maakt bezwaar tegen het feit dat zijn zoon geadresseerde post van afzender (Hans Anders) blijft ontvangen hoewel hij aan afzender heeft meegedeeld bezwaar te hebben tegen dergelijke geadresseerde reclame. Verder gebruikt afzender persoonlijke gegevens om te zien of de zoon van klager in de doelgroep van de uiting valt. Klager acht dit in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens. Afzender reageert niet op verzoeken om informatie.

Het oordeel van de voorzitter

1)  Niet in geschil is dat de zoon van klager in strijd met artikel 14 Code brievenbus reclame, huissampling en direct response advertising (CBR) geadresseerde reclame van afzender heeft ontvangen. Klager had immers aan afzender meegedeeld dat hij geen geadresseerde reclame meer wilde ontvangen voor zijn zoon. Afzender heeft uitvoerig toegelicht dat de verzending het gevolg is van een fout waarbij een rol speelt dat de zoon van klager bij afzender een bestelling heeft geplaatst. Hierdoor is het veld 'post' in het klantrecord van de zoon ten onrechte op opt-in gezet, waardoor zijn opt-out bij de tweede door afzender genoemde conversie verkeerd is geregistreerd. Op grond van hetgeen afzender stelt, acht de voorzitter het aannemelijk dat sprake is van een onbedoelde fout, die zij inmiddels heeft gecorrigeerd. Gelet hierop en nu afzender heeft toegezegd dat zij onderzoek zal doen naar vergelijkbare fouten en deze eveneens zal corrigeren, maakt de voorzitter gebruik van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 12 lid 5 van het Reglement van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep, zodat een aanbeveling achterwege blijft.

2)  Voor zover klager stelt dat afzender persoonlijke gegevens gebruikt om te zien of zijn zoon in de doelgroep van de uiting valt, hetgeen hij in strijd acht met de Wet bescherming persoonsgegevens, gaat de voorzitter ervan uit dat de bewuste brief is verzonden naar aanleiding van het plaatsen van een bestelling waarbij het in dat kader noodzakelijk was dat persoonlijke gegevens aan afzender zijn verstrekt. Afzender heeft reeds hierom een gerechtvaardigd belang bij de verwerking van deze gegevens. Artikel 41 Wet bescherming persoonsgegevens laat de verwerking van persoonsgegevens voor de instandhouding van een directe relatie verder toe, ook indien dit geschiedt met het oog op commerciële doelen, zolang daartegen geen verzet is aangetekend. Nu klager dit laatste heeft gedaan, volstaat de voorzitter op dit punt met te verwijzen naar hetgeen onder 1) is vermeld.

De beslissing van de voorzitter: op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat afzender heeft gehandeld in strijd met artikel 14 CBR. Voor het overige wijst de voorzitter de klacht af.