RB 3114

Directe Voorzittersafwijzing van klacht zoenende mannen van Suit Supply

RCC 6 maart 2018 , RB 3114; dossiernr. 2018/00179 (Suit Supply zoenende mannen) dVAF. Het betreft een campagne waarbij gebruik wordt gemaakt van de volgende reclame-uitingen:
1)  een billboardposter waarop twee in pak geklede mannen zijn te zien waarbij de ene man  deels op de schoot van de ander zit en beide mannen elkaar (lijken te gaan) zoenen;
2)  een billboardposter waarbij een man in pak is te zien die zijn hand legt op de borst van het naakte   bovenlichaam van een andere man.

Klacht De reclame is niet in lijn met de subjectieve opvattingen van veel Nederlanders die gebaseerd zijn op christelijke waarden en normen. Ook is de reclame in strijd met de goede smaak omdat hij niets te maken heeft met het verkopen van pakken. Verder is de reclame misleidend doordat deze suggereert dat mannen bij het kopen van een pak gezoend kunnen worden door een andere man. De reclame spreekt slechts een klein deel van de mannen aan, te weten mannen met homoseksuele gevoelens.

Het oordeel van de voorzitter De voorzitter begrijpt dat de aanleiding voor het indienen van de onderhavige klacht specifiek is gelegen in het feit dat in de onderhavige uitingen twee mannen zijn te zien die blijkens hun pose homoseksueel zijn. De voorzitter oordeelt dat dit enkele gegeven onvoldoende is om de uitingen ontoelaatbaar te achten. Het afbeelden van personen op een wijze die hun (homo-) sek­suele voorkeur toont, dient maatschappelijk aanvaardbaar te worden geacht, ook indien niet iedereen hierop prijs stelt. Discriminatie wegens seksuele voorkeur is niet toegestaan. Het voorgaande wordt niet anders doordat in de ene uiting de mannen elkaar lijken te gaan zoenen en in de andere uiting een man zijn hand op de blote borst van een andere man legt. Van een ontoelaatbare combinatie van bloot en erotiek is geen sprake, ongeacht de locatie waar de uiting is te zien en het publiek dat daarmee wordt geconfronteerd. Evenmin valt in te zien waarom de uiting misleidend is. De klacht kan op grond van het voorgaande niet slagen.