RB 3131

De “snuggere” consument kan altijd kiezen voor het internettarief

Rechtbank Amsterdam 27 maart 2018, RB 3131; ECLI:NL:RBAMS:2018:1756 (Schipholtarief) Oneerlijke en misleidende handelspraktijk. De BV probeert voor gedupeerden van een vertraagde vlucht een vergoeding te krijgen en brengt daarvoor kosten in rekening. Er is een tarief voor internetklanten (overeenkomst via internet) en een duurder tarief voor Schipholklanten (overeenkomst gesloten op de luchthaven). Welke overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen is voor de beoordeling zaak niet van belang. Namens de BV is verklaard dat het inderdaad juist is dat “snuggere” consumenten altijd via internet een overeenkomst kunnen sluiten. De gemiddelde consument moet echter als maatstaf worden genomen. Dat deze gemiddelde consument er bij de totstandkoming volgens het Schipholtarief vanuit gaat dat er ook een lager internettarief bestaat is onaannemelijk. Door op Schiphol geen volledige duidelijkheid te verschaffen over de verschillende tarieven heeft de BV zich schuldig gemaakt aan oneerlijke en misleidende handelspraktijken.

5. Bij de beoordeling geldt tot uitgangspunt dat [eisers] als consument wordt aangemerkt en [naam B.V.] als professionele partij moet worden beschouwd. Voorts is niet in debat dat de overeenkomst tussen beiden buiten de verkoopruimte tot stand is gekomen. Daarnaast kan worden vastgesteld dat [naam B.V.] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen voor dezelfde dienst een tweetal tarieven hanteerde, een tarief waarbij de overeenkomst via internet tot stand is gekomen, de internetklanten, en een tarief waarbij de overeenkomst op de luchthaven wordt gesloten, de Schipholklanten. Ook staat vast dat [naam B.V.] de klanten niet actief informeerde over deze verschillende tarieven voor dezelfde dienst. Ter terechtzitting heeft [naam B.V.] toegegeven dat op Schiphol de klanten niet worden gewezen op het (lagere) internettarief en is namens [naam B.V.] verklaard dat het inderdaad juist is dat “snuggere” consumenten altijd via internet een overeenkomst kunnen sluiten. Ten slotte is niet bestreden dat [naam B.V.] [eisers] op Schiphol niet heeft geïnformeerd over het lagere internettarief.

6. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze handelwijze van [naam B.V.] als een oneerlijke handelspraktijk aan te merken. Door op Schiphol geen volledige duidelijkheid te verschaffen over de verschillende tarieven, heeft [naam B.V.] immers essentiële informatie aan [eisers] over de opbouw van de prijs van haar diensten en de daarmee verband houdende kosten onthouden. Op grond van artikel 6:193d lid 1 BW is een handelspraktijk (ook) misleidend indien er sprake is van een misleidende omissie. Uit lid 2 volgt dat een misleidende omissie iedere handelspraktijk is waarbij essentiële informatie welke de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, wordt weggelaten, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. De door [naam B.V.] genoemde “snuggere” consument, is niet gelijk te stellen aan de gemiddelde consument waarvan de richtlijn oneerlijke handelspraktijken uitgaat en die zijn weerslag heeft gevonden in de wettelijke bepaling. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de uit hoofde van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, wordt in deze zaak het door het Hof van Justitie ontwikkelde criterium van de gemiddelde – dit wil zeggen redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende – consument als maatstaf genomen, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren. Dat deze gemiddelde consument er bij de totstandkoming volgens het Schipholtarief vanuit gaat dat er ook een lager internettarief bestaat, komt de kantonrechter onaannemelijk voor.

7. Het is evident en ook niet in debat tussen partijen dat [eisers] , indien hij door [naam B.V.] was geïnformeerd over de beide tarieven, voor het voordeligste tarief en dus voor het internettarief had gekozen. Door [eisers] op dit punt niet volledig te informeren heeft [naam B.V.] [eisers] niet de gelegenheid geboden een goed besluit over de transactie te nemen en heeft [naam B.V.] zich schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Een doelmatige, evenredige en afschrikwekkende sanctie op deze handelwijze van [naam B.V.] is dat wordt vastgesteld dat [eisers] slechts tegen het internettarief met [naam B.V.] heeft gecontracteerd. Voor zover er tussen partijen al een overeenkomst op basis van het Schipholtarief tot stand zou zijn gekomen, dient deze partieel te worden vernietigd op basis van artikel 6:193j lid 3 BW in die zin dat de afhandelingskosten en de btw niet voor rekening van [eisers] dienen te komen.

8. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering in hoofdsom toewijsbaar is. Dat dit om een relatief laag bedrag gaat, brengt nog niet mee dat de vordering niet in rechte kan worden gevorderd. Het andersluidende standpunt van [naam B.V.] wordt verworpen.